ColumnManon Spierenburg

Gelukkig zijn de meeste gesprekken één lange herhaling van zetten

Auteur en scenarist Manon Spierenburg schrijft wekelijks een column over hoe het steeds stiller wordt om haar heen nu ze doof wordt.

Beeld Douwe Dijkstra

In onschuldiger tijden had alleen de orthodontist nog een mondkapje. Terwijl zij een Willy Wonka-achtige kaakklem in het snuitje van mijn dochter schroefde en het lieve kind op haar rug lag te wachten op wat komen ging, zat ik aan het einde van de behandeltafel tandartstrauma’s te verdringen (‘Is it safe?’), waardoor ik te laat doorhad dat er een antwoord van mij werd verwacht. Weer een auditieve parel aan mijn snoet voorbijgerold.

Betrapt keek ik op. ‘De moeder hoort niet zo goed, heb ik begrepen?’, zei de orthodontist. Haar lichaamstaal was best beschuldigend, dus ik voelde me aangesproken. Helaas had ik niet de tegenwoordigheid van geest om te beamen dat ‘de orthodontist dat goed had begrepen’, dus knikte ik en mompelde heel corny dat dat klopte, maar dat dat geen probleem was omdat ik goed kan liplezen.

‘Mooi, mooi, mooi’, was de orthodontist alweer met heel andere dingen bezig. Ze plaatste een mondkapje over haar mond, wat liplezen verder onmogelijk maakte. Om vervolgens een hele verhandeling over vrij specifieke zaken te houden. Ik had zin om haar een dreun te verkopen, maar in plaats daarvan dook ik serviel in elkaar, het hoofd gierachtig tussen de schouders gezakt, mij volkomen bewust van het feit dat ik weer eens degene was die een zinvol gesprek onmogelijk maakte met mijn irritante bijna-doofheid. Vervelend voor haar, inderdaad. Het zal je maar gebeuren.

Ik ben niet volledig doof, maar voor 80 procent. De hoge en de lage tonen zijn nog intact, maar het middengedeelte, waar bijna alle medeklinkers zitten, is dood. Dus ben ik de hele dag bezig de brokken rest-audio aan elkaar te lijmen. Op ervaring, anticiperend en lip- en lichaamstaal lezend verbind ik de puntjes tussen de klinkers, die ik wél hoor. Maar dat zijn er maar vijf, dus de mogelijkheden zijn eindeloos.

Nu zijn de meeste gesprekken kletspraatjes en één lange herhaling van zetten. Omdat ik al vrij lang in leven ben, red ik me daarmee best aardig. Ook nu de helft van de mensen een mondkapje draagt, weet ik dat de caissière vraagt of ik het bonnetje wil, dat de meeste bekenden ‘Alles goed?’ roepen als ze elkaar passeren en minstens de helft ‘Ja, druk’ terugzegt. Iedereen heeft ‘zoiets van’, wenst elkaar te pas en te onpas het allerbeste toe, wil toegangsbewijzen zien, de bestelling opnemen, afrekenen en weten wanneer en hoe laat dingen zijn. Daarmee is zo’n driekwart gecoverd. Dat ik het niet hoor, doet er feitelijk niet zoveel toe. Ik weet wat er gezegd wordt.

Maar de orthodontist had het achter haar mondkapje waarschijnlijk over de geneugten van spalkjes, blokbeugels en intermaxillaire correctieveren (kan ik hier pinnen?), en dan ben ik dus volkomen weerloos: geen context of parate kennis. Ik kon alleen maar hopen dat ik tijdens dit consult niet per ongeluk akkoord was gegaan met bijvoorbeeld facings, zó Dries Roelvink-wit dat je ze vanuit de ruimte kunt zien. Gelukkig kon ik tien minuten later alles keurig terugzien op de rekening, die ik al in handen gedrukt kreeg nog voordat iedereen zijn jas weer aanhad, en die mij aanzette tot het idee om eens zonder mondkapje door een aerosolenwolk te lopen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden