Geluk is meer dan euro's

Welvaart gaat over meer dan economische groei. Zorg, veiligheid, cultuur en duurzaamheid tellen ook mee. De financiële instellingen moeten weer dienstbaar worden

U hebt mij destijds als burgemeester van Amsterdam gevraagd om deze lezing te houden.
Inmiddels ben ik geen burgemeester meer, maar beoogd lijsttrekker van de Partij van de
Arbeid voor de komende Tweede-Kamerverkiezingen. Ik houd deze lezing met niet minder
plezier, integendeel, ik vind het, zeker in deze hoedanigheid, bijzonder om deze lezing in dit
jaar op deze plaats uit te mogen spreken. Wij herdenken immers dat 150 jaar geleden de
Friese dichter en socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra in deze stad is geboren.
Zojuist is er een schitterende biografie over hem verschenen van Piet Hagen, Politicus uit
hartstocht geheten, die Troelstra bijna tastbaar in de huiskamer brengt. Troelstra was een van
de belangrijke grondleggers van de socialistische beweging en zijn leiding heeft, zo stelt zijn
biograaf vast, ‘een stempel gezet op de eerste dertig jaar van de Nederlandse sociaaldemocratie.

Zijn inspiratie en volharding hebben bijgedragen aan het succes van de
arbeidersbeweging. Zijn grootste verdienste is misschien wel dat hij veel arbeiders
perspectief heeft gegeven op een betere toekomst. Hij heeft niet alleen voor hun rechten
gestreden, maar ze ook een plaats bezorgd in het politieke krachtenveld.’

In dit opzicht lijkt Troelstra op de mannen waaraan deze lezing zijn naam ontleent: Jarich en
Hendrik van der Wielen. Beide mannen, die zich erg betrokken voelden bij het vaak
schrijnende lot van de arbeiders in de fabrieken en de arme plattelandsbevolking van de
Noordelijke provincies, waren voorstanders van onorthodoxe maatregelen om dit lot ten
goede te keren. Het idee ontstond om een school op te richten waar mensen van diverse
gezindten vrijelijk met elkaar konden discussiëren, ideeën uitwisselen en toekomstplannen
smeden. De eerste Volkshogeschool van Nederland was hiervan uiteindelijk het gevolg.
Het is nu aan ons om nieuwe perspectieven te formuleren voor de sociale problemen van
onze tijd, al zijn de tijden en omstandigheden ingrijpend veranderd.

Wat ik vanmiddag wil doen is u eerst terug voeren naar het ontstaan van de huidige financiële
en economische crisis: wat waren de oorzaken? Vervolgens schets ik een overzicht hoe we
er nu voor staan: niet alleen als gevolg van de crisis, maar ook als gevolg van andere
ontwikkelingen die ons dwingen tot een maatschappelijke en economische herijking.

Ingrijpende maatregelen zijn nodig om de economische welvaart, een duurzame ontwikkeling
en inzet van innovatief vermogen in een op elkaar betrokken samenleving in onderlinge
samenhang voor de toekomst op een positieve manier tegemoet te zien. De vraag is dan: wat
is het leidende maatschappijbeeld daarbij? Naar mijn overtuiging is een fundamentele
heroriëntatie en herijking nodig om ook op economisch terrein voldoende binding tot stand te
brengen om sociale tweedeling en fragmentering tegen te gaan. Wij moeten zoeken naar
oplossingen die de economie verstevigen, het milieu verbeteren en de verbanden tussen
mensen versterken.

Het ontstaan van de financiële crisis
Wat wij nu als de financiële crisis aanduiden, begon in 2006 toen in de Verenigde Staten de
huizenprijzen begonnen te dalen en aan de oppervlakte kwam dat onverantwoorde risico’s
waren genomen bij vele hypotheekverstrekkingen. Dat leek ver weg: een Amerikaans
probleem, dat ons niet hoefde te raken. Maar in 2007 en de eerste helft van 2008 grijpt de
crisis snel om zich heen. Dan blijkt dat die risicovolle Amerikaanse hypotheken op velerlei en
onnavolgbare wijzen verpakt en opgedeeld, over de hele wereld zijn verhandeld en zich als
een virus hebben verspreid over bijna alle grote banken in de wereld.

Onaantastbaar geachte financiële instellingen komen in de problemen omdat zij op te grote schaal met te risicovolle roducten en transacties bezig zijn geweest. De zwaarste klap komt in september 2008, als de Amerikaanse regering twee grote hypotheekinstellingen moet overnemen, en de gerenommeerde zakenbank Lehman Brothers omvalt. Vanaf dan ontstaat een wereldwijde vertrouwenscrisis. Wat niemand daadwerkelijk voor mogelijk had gehouden, gebeurt. Banken aan bijna onderuit en kunnen slechts dankzij miljarden injecties van hun nationale verheden en centrale banken worden gered. Binnen korte tijd slaat de financiële crisis over naar de reële economie. De crisis, veroorzaakt door een heel nieuw type bankiers, de snelle ongens op Wall Street, in Londen en andere financiële centra, is nu een crisis voor de gewone man in de straat.

Wat waren de achtergronden en oorzaken van deze sinds de oorlog ongekende financiële
crisis?
Het is belangrijk om een tandje dieper te graven om te zien welke ontwikkelingen hier aan ten
grondslag lagen. Ik noem er vijf.

1. Cultuuromslag in de financiële en zakelijke sector
Om te beginnen heeft er zich in het midden van de jaren negentig een cultuuromslag
voorgedaan in de wereld van de banken. Daarvóór was een bank een tamelijk saaie
onderneming, waarin langdurige relaties met bedrijven en individuele klanten centraal
stonden, geen spectaculaire winsten werden geboekt en toch goede salarissen werden
verdiend. De tijd van de grijze pakken. In het midden van de jaren negentig veranderde deze
cultuur fundamenteel door de introductie van Angelsaksische bankiersmethoden. Snelle deals
met grote fees, de opkomst van de dealmakers en risicobankiers, het steeds grotere belang
dat aan de beurskoers werd gehecht, de invloed van de analisten, de bonussen, de risicovolle
producten, het hoorde er allemaal opeens bij. De Raad van Bestuur raakte losser van de
werkvloer en in de ban van de bonussen en de overnames. Het ‘familiegevoel’ verdween, het
commitment van de medewerkers werd ondermijnd. Jeroen Smit beschrijft dat treffend in zijn
boek over ANB AMRO, De Prooi, Arnoud Boot in De ontwortelde onderneming.
Deze cultuuromslag beperkte zich overigens niet tot de banken, maar vond ook in andere
delen van het bedrijfsleven plaats. Overnemen werd belangrijker dan ondernemen. Voor veel
bedrijven gold: als ze geen jager waren, werden ze prooi.

2. Greed is good
Deze cultuuromslag was, en dat is de tweede ontwikkeling waarop ik wil wijzen, onderdeel
van een veel bredere mentaliteitswisseling, die misschien wel het beste is getypeerd door
Gordon Gekko, de hoofdpersoon van Oliver Stone’s film Wallstreet uit 1987. “Greed is good”,
hebzucht loont, is zijn motto:
I am not a destroyer of companies. I am a liberator of them! The point is, ladies and
gentleman, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed
clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its
forms; greed for life, for money, for love, knowledge has marked the upward surge of
mankind
'.

Ter bevrediging van de hebzucht mochten er zelfs grote risico’s worden genomen – je was
een held als je het wel en een sukkel als je het niet deed. De gematigdheid, ooit een deugd,
legde het af tegen de ongeremde wens tot onmiddellijke behoeftebevrediging, tegen de
hebberigheid – niet alleen bij banken, bij dealmakers en bij activistische aandeelhouders,
want de cultuur van risico’s nemen is overal doorgesijpeld: in het internationale verkeer, in de
pensioenfondsen en, niet te vergeten, in de individuele huishoudens.

3. Wereldwijde instabiliteit

De veranderingen in bedrijfscultuur en mentaliteit vonden plaats in een internationaal systeem
dat structureel gekenmerkt wordt door gebrek aan stabiliteit. Dat komt allereerst door de
zowel dominante als fragiele positie van de VS in de wereldeconomie. Wat begon met de
dollarcrisis in de jaren zeventig liep uit op een ongekende schuldeneconomie van de
Verenigde Staten, nationaal en internationaal, die uitsluitend in stand kan worden gehouden
dankzij de ‘Bank van China’.

In de Verenigde Staten is de schuldenlast verbonden met de sterk toegenomen ongelijkheid
in inkomen en vermogen, met een steeds rijker wordende bovenlaag en een wegzakkende
positie van de middenklasse – een risico waar wij terdege beducht voor moeten zijn.
Verruiming van kredietmogelijkheden werd in de Verenigde Staten een aflaat voor
achterblijvende inkomensontwikkeling. Wat mensen niet meer verdienden moesten ze lenen
om mee te kunnen blijven doen. En ach, die huizen werden toch steeds meer waard, dus het
kwam wel goed met die schulden. Niet dus.

4. Vergaande deregulering
Het gebrek aan stabiliteit werd veroorzaakt door een allesomvattende dominantie van de neoliberale vrije markt ideologie die vergaande deregulering van markten voorstond. De
financiële markten werden (ook bij ons) geliberaliseerd en gedereguleerd, zonder dat daar, zo
bleek later, voldoende systemen van checks and balances tegenover kwamen te staan. De
groei en dynamiek van de financiële markten werd extra gestimuleerd door de moderne
communicatie- en informatietechnologie. De les van de crisis uit de jaren dertig, dat
tegenwicht, regulering en ingrijpen van de overheid nodig is om ontsporing van de economie
te voorkomen, lag te ver achter ons ten gunste van een vertrouwen op het zelfregulerende
vermogen van de markt. De conclusie moet een en andermaal zijn dat zelfregulering
onvoldoende is zodra systeemrisico’s in het spel zijn.

5. Onvoldoende toezicht
In de ontstane situatie van deregulering en met een groot geloof in de heilzame werking van
zelfregulering bleek het toezicht op de risico’s die door financiële instellingen werden
genomen onvoldoende. Het toezicht door de eigen Raad van Commissarissen was hier niet
op toegesneden. Dat mag nu al geconcludeerd worden uit de verhoren van de Commissie De
Wit. Het toezicht op de financiële sector bleek bovendien nationaal en internationaal
versnipperd en ook op Europees niveau onvoldoende gecoördineerd.

Zo is een situatie ontstaan waarin de winsten voor de bedrijven waren, de risico’s voor de
staat; de lusten privaat, de lasten voor de belastingbetaler. Per saldo, zo moeten wij
vaststellen, hebben samenleving, overheid en politiek veel te weinig tegenwicht geboden
tegen de vrije ontwikkeling van het casino-bankieren.
De crisis van 2008 vormde de climax van onderliggende en structurele problemen in de
variant van het financiële kapitalisme. Volgens beleidsmakers en economen kan een goed
systeem een ongelukje opvangen. Maar er is niet zomaar een ongelukje gebeurd: het
systeem deugde niet meer. De erkenning dat het internationale financiële systeem, en - laten
we dat vooral niet vergeten - de economische theorie die er aan ten grondslag ligt, niet deugt,
is fundamenteel. Zonder die erkenning, zal het snel back to business zijn – met alle risico’s
van dien.

Kortom:
De mentaliteit dat hebzucht loont, een cultuuromslag binnen bedrijven, wereldwijde
instabiliteit, een structurele systeemfout door vergaande deregulering van financiële markten
met onvoldoende en daardoor falend toezicht op de financiële markten hebben samen de
huidige crisis veroorzaakt.

De positie van de financiële sector in de economie is veranderd van een dienende,
faciliterende, naar een overheersende en, zoals wij gezien hebben, destabiliserende. Als
geen ander heeft de financiële sector bovendien de macro-economie van het grote geld aan
de micro-economie van het gewone geld verbonden. Dat geldt niet alleen voor de relatie van
banken tot bedrijven, maar ook voor gewone spaarders die hun geld na lang werken opzij
gelegd hebben. Financiële risico’s zijn daarmee tot in de haarvaten van de maatschappij
doorgedrongen.

In moreel, cultureel, politiek en economisch opzicht heeft de financiële factor andere
belangen en gezichtspunten overwoekerd
De ontwrichtende gevolgen van deze economische ontwikkelingen dringen door in een
samenleving die toch al onder druk staat.

Waar staan we nu?
Er is iets mysterieus aan de hand met de huidige financiële crisis en haar nawerking in de
samenleving. Voor velen gaat het leven gewoon door, alsof er niets aan de hand is. De rijen
werklozen voor de stempellokalen, de gaatjes in de fietsplaatjes, de huisuitzettingen, de
gaarkeukens en de werkverschaffingsprojecten - beelden die de crisis van de jaren dertig
zo’n indringend aanzien gaven - ontbreken nu. Het is als een griep zonder koorts. Het
gesprek over de gevolgen van de crisis ligt de meeste inwoners van Nederland niet voor op
de tong.

Toch is ook in Nederland is de situatie ernstiger dan tot het bewustzijn lijkt te zijn
doorgedrongen. We hebben te maken gehad met een negatieve groei van 4 procent in 2009 –
minder dan in andere landen, maar toch. We hebben te maken met banken in een kwetsbare
positie, met bedrijven die de deuren hebben moeten sluiten, of met weinig florissante
vooruitzichten, met jongeren die niet aan het werk komen en met een groeiende
beroepsgroep van zelfstandigen zonder personeel die stevige klappen hebben gekregen in
orderportefeuilles en inkomen – dat betekent in alle gevallen inkomenverlies en veel meer
dan een paar jaar geleden faillissementen met alle ontwrichtende gevolgen van dien.
Dat is de situatie van nu.

Maar we weten dat de 'aftershocks', oftewel natrillingen van de financiële crisis er nog aan komen, zoals een indringende studie van de WRR beschrijft.Dan gaat het om toenemende werkloosheid, problemen in de pensioenvoorziening, politieke spanningen en - om te beginnen - met de overheidsfinanciën. De overheid, die miljarden heeft gestoken in het stutten van de banken en de financiële sector, krijgt nu de rekening gepresenteerd door tegenvallende belastinginkomsten en een oplopend begrotingstekort en liet zich inmiddels gesteld voor de vraag naar draconische bezuinigingen op de overheidsvoorzieningen. Waar kan worden gesneden?

En wat zullen daarvan de gevolgen zijn? Die vragen zullen mede de inzet van de verkiezingen zijn. De 20 ambtelijke werkgroepen die de Heroverwegingsoperatie uitmaken rapporteren op 1 april 2010, de politieke partijen werken aan hun programma voor de komende jaren. Ook de Partij van de Arbeid, maar u begrijpt dat ik daarover in deze lezing nog niet kan uitweiden.
Wat daarvan zij, burgers zullen geconfronteerd worden met de kosten van de crisis, want de
overheid en de pensioenfondsen, dat zijn wij zelf, u en ik samen.
Daarbij is de overheid op dit moment niet het veilige baken waarop burgers durven te
koersen. Het vertrouwen in de markt mag dan een schok hebben gekregen, staatsinterventies
daarmee wat acceptabeler zijn geworden, daarmee is het vertrouwen in de overheid niet
opeens - als een communicerend vat - omhoog geschoten.

De demografische context
De gevolgen van de economische crisis vallen samen met andere ontwikkelingen, die zelf al
om een herijking van maatschappelijk en economisch gedrag vragen. Ik noem een aantal dat
om bijzondere aandacht vraagt, juist ook bij het bepalen van het toekomperspectief dat ik
voor mij zie.
Er voltrekken zich allereerst verreikende demografische ontwikkelingen. Tot 2030 stijgt de
bevolking in Nederland met 1 miljoen – de totale bevolking zal dan 18 miljoen bedragen.
Daarna zal de bevolking zich stabiliseren en op den duur gaan krimpen. Die groei is echter
onevenwichtig verdeeld over het land. In de Randstad zal de bevolking volgens de prognoses
toenemen en daarmee ook een toenemende vraag naar voorzieningen in dit gebied. Andere
delen van het land (in Limburg, Zeeland, en de Noordelijke provincies) krijgen met
bevolkingskrimp te maken, waardoor de economische dynamiek en het voorzieningenniveau
daar onder druk komen te staan.

Bovendien worden we ouder. Dat is op zichzelf niet iets om somber van te worden; wel is er
alle reden om realistisch te zijn over sommige gevolgen daarvan. Die moeten we onder ogen
zien en daar moeten we onze maatschappij en economie op inrichten. Zo vindt er een forse
verschuiving plaats in de verhouding tussen de actieve beroepsbevolking en diegenen die
niet deelnemen aan de arbeidsmarkt. Was die verhouding in de jaren vijftig 7:1, nu is hij 4:1
en in de komende decennia zal die verschuiven naar 2:1. Kernvragen bij deze demografische
ontwikkelingen zijn:

Zijn er op den duur genoeg mensen om de economie draaiende te houden?
Zijn er genoeg mensen om aan de zorgbehoeften van een toenemend aantal ouderen
tegemoet te komen?
Hoe zorg je voor een evenwichtige verdeling van de economische baten en
voorzieningen over het hele land? En last but least:
Hoe financieren wij onze voorzieningen in deze nieuwe contekst?
Economische groei te weinig gericht op duurzaamheid
Daarnaast worden we geconfronteerd met de gevolgen van een ongekende maar niet op
duurzaamheid gecontroleerde economische groei. Het klimaat ondergaat ingrijpende
wijzigingen. Kijk naar Midden Afrika, waar de woestijngrens zich zichtbaar verplaatst; kijk naar

Groenland waar hetzelfde met de ijsgrens gebeurt. Wij trekken een wissel op de biodiversiteit;
op onze fossiele brandstoffen; op de kwaliteit van onze lucht. Hoe we het ook wenden of
keren, ongeremd doorgroeien is geen optie. In onze beleidsdoelstellingen klinkt al wel
urgentie door, maar ons gedrag is er nog onvoldoende van doordrongen.

Maatschappelijke en politieke polarisatie
De gevolgen van de financiële en economische crisis, de demografische ontwikkeling en het
milieuvraagstuk moeten bovendien worden opgevangen in een situatie van toegenomen
maatschappelijke, economische en politieke polarisatie. In het maatschappelijke verkeer
evenals in opvattingen over migratie en integratie is een verharding opgetreden.
Individualisering, globalisering, secularisering - niet alleen migratie - hebben naast veel
vrijheid, ook desintegrerende effecten tot gevolg gehad.

In hun onderlinge samenhang hebben deze factoren geleid tot een samenleving van individuen, die zich veelal als vreemden tot elkaar verhouden en waarin het gemeenschapselement fragiel is geworden.
Ook in de politiek zijn desintegrerende factoren zichtbaar. Allereerst in de vorm van de
fragmentatie van het politieke landschap, vooral van het midden: traditionele partijen hebben
hun natuurlijke aanhang verloren, veel kiezers zijn in toenemende mate 'zwevend'.

De organisatie van politiek en overheid lijkt onvoldoende toegesneden op de verlangens van de samenleving: een samenleving die om méér vraagt dan één keer in de vier jaar
vertegenwoordigers kiezen, een samenleving die meer invloed op beleid en beleidskeuzes
wil. Een andere desintegrerende factor is de wijze waarop politiek wordt bedreven: er is een
harde toon met een roep om een 'keiharde aanpak', die haaks lijkt te staan op wat velen
wensen: een gematigde en fatsoenlijke samenleving, waarbij tegenstellingen tussen mensen
weliswaar niet worden ontkend, maar worden opgelost in plaats van aangewakkerd.

Sociaal-economische tweedeling
Ook in sociaal-economisch opzicht ontstaan scherpere scheidslijnen en grotere
ongelijkheden. Zij zijn het gevolg van de introductie van nieuwe technologieën, van
globalisering en internationalisering van onze economie, van hedendaagse
bedrijfsstrategieën, van de invoering van marktwerking in de publieke sector en de
aanpassingen in de verzorgingsstaat van de afgelopen decennia. Marcel van Dam noemt dat
de nevenschade van de bezuinigingspolitiek van de jaren tachtig en negentig. De tweedeling
is ook het gevolg van verandering in waardering voor beroepen en opleidingen. Die functies
die voor de samenleving van het grootste belang zijn -in de zorg, het onderwijs en bij de
politie- krijgen, wat mij betreft ten onrechte, minder waardering dan vroeger. De schaduwzijde van de meritocratie, wordt er dan gezegd..

Waar het om inkomens en vermogens, kwaliteit van het werk en maatschappelijke
vooruitzichten gaat, zien we een groeiende maatschappelijke ongelijkheid tussen mensen
aan de onderkant van de economische ladder en die aan de bovenkant. De nieuwe
tegenstellingen zijn lang niet altijd zichtbaar in de statistieken, bijvoorbeeld als het gaat om de
verschillen in vermogen of de verschillen tussen de nieuwe tweeverdieners en de oude
kostwinner, de uitkeringsgerechtigde of de oudere die uitsluitend AOW ontvangt.

Lange dagen
In de economie van de onderkant, maken mensen lange dagen tegen lage lonen, met
flexibele contracten, in wisseldiensten, onder hoge werkdruk en soms slechte
arbeidsomstandigheden, met een zwakke rechtspositie -ook voor wat betreft hun aanspraken
op uitkeringen en pensioenen. Zij hebben het gevoel dat ze te weinig waardering krijgen, ook
in hun werk, ze hebben weinig perspectief om vooruit te komen, hebben moeilijk toegang tot
private en publieke basisvoorzieningen – en vooral: kunnen moeilijk rondkomen van hun
salaris. Kijk naar de schoonmakers (bij de NS, op Schiphol) die al wekenlang in staking zijn.

Daartegenover staat een economie van de bovenkant, die in alles het spiegelbeeld is van de
economie van de onderkant: goede salarissen (in sommige sectoren aangevuld met riante
prestatiebonussen), luxe arbeidsomstandigheden, goede regelingen voor werkloosheid en
pensioen, afvloeiingsregelingen inclusief 'gouden handdrukken' en uitstekende toegang tot
private en publieke voorzieningen. Ja, ook hier is stress, maar daar staan wel aanzienlijk
betere arbeidsvoorwaarden tegenover en de mogelijkheid om je overal tegen te verzekeren.
Daartussenin staat een brede middenklasse die van beide kanten steeds meer onder druk
komt te staan als gevolg van de ontwikkelingen die ik beschreef - een verschijnsel dat in de
Verenigde Staten al veel langer aan de gang is, en dat heeft geleid tot een uitholling van de
middenklasse.

Knel
De lagere middeninkomens dreigen in de knel te komen: met forse lasten voor huis,
levensonderhoud en vervoer en de kosten voor de opvoeding van kinderen, gekoppeld aan
toenemende concurrentiestrijd op de arbeidsmarkt, houdt men het maar net vol. Hogere
middeninkomens zijn de aansluiting met de top verloren en hebben het gevoel dat zij door de
overheid flink aangeslagen worden terwijl de kwaliteit van de overheidsvoorzieningen er
nauwelijks op vooruit lijkt te gaan.

Uit een groot Europees onderzoek uit 2004, het zogenaamde SIREN-rapport, blijkt dat de
'gewone werknemer' zich van vele kanten bedreigd voelt. Er is wat je met een mooie term
‘globaliseringspijn’ kunt noemen – werk verdwijnt naar het buitenland, en er komt meestal
geen vergelijkbaar werk voor terug. Er is al jarenlang sprake van permanente reorganisaties,
van herstructurering van bedrijfstakken en nieuwe stijlen van management – met een groot
effect op de houding van werknemers. Wat groot verdriet oplevert is de veroudering van
diploma’s, van kennis en vaardigheden. Angst voor sociale daling of declassering en
boosheid over gebrek aan waardering en respect zijn sleutelbegrippen in dit onderzoek.

Niet alleen in de private sector, ook in de publieke dienstverlening staat het werk van de
(lagere) middenklasse onder druk. De frontsoldaten van onze maatschappij (politieagenten,
onderwijzers, zorgverleners) hebben enerzijds te maken met toenemende eisen, agressie en
ongeremdheid vanuit de maatschappij. Anderzijds worden zij geconfronteerd met nieuwe
methoden en managementlagen, reorganisaties, marktwerking, gedetailleerde
verantwoordingsvragen en toenemende regeldruk.

Werknemers ervaren dikwijls een gebrek aan erkenning voor hun harde werken. Opleiding speelt een steeds beslissender rol voor maatschappelijke mogelijkheden en succes – en draagt krachtig bij aan de hier beschreven fragmentering en tweedeling. De kloof tussen hoogopgeleiden en lageropgeleiden is gegroeid en zal mogelijk blijven groeien doordat mensen voor huwelijk, vriendschap en relaties andere mensen uitkiezen met een vergelijkbaar patroon.

Er ontstaat zo een breuk met het maatschappijmodel dat na de oorlog met zorg en
gezamenlijke inspanning is opgebouwd. Daarin waren er allerlei mogelijkheden voor
opwaartse mobiliteit: via school en opleiding, via het werk, door te verhuizen naar een andere
buurt, door een grotere welvaart - en doordat de kinderen een stap verder konden doen. Dat
kan nog steeds en je ziet het ook om je heen gebeuren, maar het vraagt wel veel aandacht.
Niet voor niets is de wens om deel uit te maken van een middenklasse met alle
maatschappelijke ontplooiingskansen die daarbij horen een van de speerpunten van de
veranderingsagenda van President Obama.

Kortom: in het licht van de nawerking van de crisis en een aantal maatschappelijke trends is
een verandering van politiek perspectief nodig. Herijken we onze gedragspatronen niet, dan
leggen wij een (te) zware hypotheek op onze toekomst en die van onze kinderen; groeien de
bestaande tegenstellingen in onze maatschappij verder door; blijven we met markten zitten
die zichzelf niet corrigeren en evenmin in toom worden gehouden door een stevig
overheidstoezicht; en zijn we onvoldoende responsief voor de veranderingen in de
internationale omgeving.

Veerkrachtig door verbinding

Ik keer terug naar de vraag die verborgen ligt in de titel van deze lezing. Welke kansen biedt
de financiële crisis voor onze samenleving? Welke perspectieven zijn er? We naderen een
kruising, in werkelijkheid met grotere snelheid dan we op de kilometerteller zien staan.

De geschiedenis leert dat elke economische crisis op zichzelf een beproeving is en dat het
antwoord op die beproeving de weg kan wijzen naar een nieuw tijdperk. De geschiedenis
leert ook dat dit niet ‘vanzelf’ gebeurt. Het vraagt om een gedegen analyse van de
problematiek, heldere uitgangspunten, het nemen van de maatregelen die nodig zijn en de
bereidheid om dit samen met anderen te doen.

Mijn centrale uitgangspunt is allereerst dat verbinden, het bevorderen van samenhang,
essentieel is. Wij hebben een lotsverbondenheid in een gezamenlijke toekomst van onze
samenleving, onze democratie en onze economie.

De desintegrerende sociaal-culturele krachten in onze samenleving, zo heb ik eerder
betoogd, zullen we tegemoet moeten treden door herstel van vertrouwen in, en
verantwoordelijkheid voor, elkaar. Dat begint door - zoals Lodewijk Asscher dat in De
ontsluierde stad heeft geformuleerd - empathie voor elkaar te hebben, door duidelijke
grenzen te stellen – de rechtstaat is ons kader!- en daarbinnen elkaar ruimte te geven. Dat is
ook een economische noodzaak. Op basis van de ontwikkelingen die ik eerder schetste is het
eenvoudigweg onmogelijk en economisch onverantwoord om grote groepen in de
samenleving aan de kant te laten staan. Dat vraagt om een urgent besef dat iedereen – maar
dan ook echt iedereen - nodig is, zeker de komende jaren.

Op de proef
Onze democratie wordt op de proef gesteld door weglekkende verantwoordelijkheden, een te
bedrijfsmatige organisatie van de overheid en een vergaande verzakelijking van de relatie
tussen overheid en burger. Burgers zijn klanten geworden. Onze taak is om de democratie te
herstellen als een krachtig bindmiddel voor groepen en individuen in de samenleving - juist
omdat ieder individu uitgedaagd wordt om samen met anderen aan gemeenschappelijke
doelen te werken - en meningsverschillen vreedzaam te beslechten. Democratie is
burgerbestuur: bestuur van, voor en door burgers dat gericht is op collectieve wilsvorming ten
bate van de opbouw van de samenleving. Verantwoordelijkheid nemen en verantwoording
afleggen voor genomen besluiten door de gekozen burgerbestuurders hoort daar
onlosmakelijk bij.

Burgers moeten politici vertrouwen, politici moeten burgers vertrouwen. Al
was het maar omdat democratie een systeem is waarbij burgers zichzelf regeren.
Ook in sociaal-economisch opzicht is ‘de boel bij elkaar houden’ een essentieel uitgangspunt
van de sociaal-democratie. Laat ik daarvoor terugkeren naar de oorsprong van dit citaat. Het
is afkomstig van Joop den Uyl en vaak is aangenomen dat deze vooral duidt op de culturele
verschillen in de maatschappij: tijdens de Algemene Beschouwingen van 1984 had Den Uyl
gesproken van een dreigende tweedeling in de samenleving: ‘Steeds diepere kloven tekenen
zich af, tussen werkenden en hen die van het arbeidsproces zijn uitgesloten’, zo zei hij.

‘Tussen hen, die uitzicht hebben op inkomensverbetering en hen die in koopkracht
achteruitgaan. Tussen degenen die kansen hebben om deel te nemen aan nieuwe
ontwikkelingen in techniek en economie en hen voor wie de poort naar de toekomst gesloten
lijkt.’ Den Uyl kreeg kritiek, van wetenschappelijke en politieke zijde, op zijn uiteenzetting die
met iets te rigide vond. In 1985 koos hij daarom de volgende woorden toen hij schreef:
‘Tweedeling is een gebrekkig begrip om een proces van splitsing en fragmentering, dat zich in
onze samenleving voltrekt, aan te duiden. Het tegengaan van dit proces laat zich moeizaam
omschrijven als een poging tot nieuwe integratie en versterking van samenhang. De boel bij
elkaar houden, dat is het dus.’

In 2010 is de kern van deze opgave niet wezenlijk veranderd, en de urgentie is groot. Het
vinden en vormen van nieuwe loyaliteiten is ook nu niet eenvoudig. Juist nu in een klimaat
waarin gelijktijdig sprake is van én toenemende maatschappelijke onzekerheid én een politiek
waarin culturele verschillen worden uitvergroot is een economische politiek waarin de
economische verschillen en onzekerheden tussen mensen verder toenemen volstrekt
onwenselijk.

Met elkaar delen, onderlinge verbinding en betrokkenheid zijn niet alleen een
teken van beschaving, maar ook een voorwaarde voor economische veerkracht. Dat geldt
voor evenwichtige inkomensverhoudingen evenzeer als voor onderlinge betrekkingen in de
onderneming, voor nationale arbeidsverhoudingen evenzeer als voor een fair sociaal
zekerheidsstelsel, voor een eerlijke balans tussen ouderen en jongeren evenzeer als voor
een open oog voor de verschillen tussen rijke en arme regio’s en landen.

Onderling
Economische vooruitgang begint bij onderlinge samenhang, een maatschappij waarin
iedereen wordt gestimuleerd en geholpen om mee te doen, er bij te horen en er uit te halen
wat er in zit - ongeacht leeftijd, postcodegebied of herkomst.
Een samenleving die de onderkant en de bovenkant verbindt en de werkzoekende evenzeer
aanspreekt op zijn of haar maatschappelijke verantwoordelijkheid als de bestuurder van een
bedrijf. Een samenleving met fijnmazige diagonale verbindingen, met wetten en regels die
voor iedereen gelijk zijn. Geen krachtige economie zonder een veerkrachtige samenleving
binnen de grenzen van onze rechtstaat.

Perspectief na de crisis

Een succesvolle aanpak van de crisis vraagt naast betere maatschappelijke verhoudingen,
om een fundamentele heroriëntatie op de economie en de rol van de overheid. Innovatie en
ondernemerschap zijn nodig om onze economie sterk en dynamisch te houden, duurzaam te
maken en onze welvaart op peil te houden, of te verbeteren. De belangrijkste opgave waar
we voor staan is om methoden en oplossingen te vinden die tegelijkertijd de economie
versterken, het milieu verbeteren en de verbanden tussen mensen versterken. Daarbij past
een zelfbewuste overheid om een helder kader te bieden voor publieke voorzieningen en
ordening van markten.

Wouter Bos gaf in zijn Den Uyl-lezing een stevige aanzet daartoe. In aanvulling daarop noem
ik de volgende punten, die tevens een oriëntatie kunnen bieden voor een koers na de crisis.
Een nieuwe rol voor de financiële sector

We kunnen nu al wel enige lessen trekken uit de ineenstorting van het geliberaliseerde
financiële bouwwerk. Er is ordening, regulering en toezicht nodig - ook internationaal, en in
het bijzonder Europees - die de financiële factor terugbrengt in onze economie tot de rol die
zij zou moeten spelen: dienstbaar en faciliterend. Nieuwe checks en balances, dus, erop
gericht om risico’s tot hanteerbare proporties terug te brengen. Dan gaat het om de terugkeer
van de nutsfunctie, zodat iedereen onder fatsoenlijke condities kan beschikken over een
betaalrekening zonder het risico te lopen dat zijn geld verdwijnt door riskante manoeuvres.
Scheiding van consumentenbankieren en zakenbankieren, reductie van de omvang van
banken: het zijn even zovele ideeën die de moeite waard zijn om te toetsen op hun
bruikbaarheid.

Heroriëntatie
Wezenlijk is verder een heroriëntatie op het bestuur van de banken - en van de
beursgenoteerde ondernemingen in het algemeen. De onderneming is geen koopwaar, die
willekeurig kan worden opgesplitst. De onderneming is een samenwerkingsverband, een
organisch tot stand gekomen weefsel, waarin een evenwichtige vertegenwoordiging van de
verschillende belangen centraal hoort te staan, waaronder uiteraard die van de werknemers.
Er is een stabiele, op lange termijn gerichte aandeelhoudersstructuur nodig - waaraan de
pensioenfondsen een positieve bijdrage zouden kunnen leveren. De huidige bonuspraktijk
heeft perverse effecten, datzelfde geldt voor de rol van private equity en hedge funds.
Innovatie, ondernemerschap en duurzaamheid

We hebben een economie nodig waarin niet overnemen een belangrijke factor is, maar
waarin ondernemen, vakmanschap en innovatie gedijen. De overheid zit daarbij niet aan de
knoppen -echte innovaties vinden elders plaats-, maar de overheid kan wel met gerichte
bijdragen onze economie versterken. Bedrijven, ondernemers en kennisnetwerken zouden in
het bijzonder gestimuleerd moeten worden om te komen tot de ontwikkeling en het gebruik
van producten en diensten die over hun hele levenscyclus zo duurzaam mogelijk zijn.

Investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alsmede de uitwisseling tussen
kennisinstellingen en ondernemingen – wij zijn daar in Nederland lang niet goed genoeg inis
cruciaal en kan dus nog wel een helpende hand gebruiken. Regionale en lokale overheden
kunnen daarbij bovendien een rol spelen, zoals het milieubeleid van de gemeente
Leeuwarden en de vestiging van Wetsus als centrum van watertechnologie laten zien.
Innovatie is niet een voor de private sector gereserveerd thema - ook de overheid kan
daaraan bijdragen, bijvoorbeeld door de wijze waarop zij opdrachten verschaft, maar ook in
eigen huis. Daarbij zouden we ook terug kunnen grijpen op bewezen succesvolle concepten
van vroeger.

Retro-innovatie noemt wethouder Bert Otten uit Hengelo dat: ‘Vaak kunnen oude recepten in een nieuw jasje heel effectief zijn. Denk aan de introductie van de buurt- en wijkzorg, de terugkeer van de wijkverpleegster en nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid.’
Ondernemerschap betekent in onze tijd niet meer vanzelfsprekend: werkgeverschap. Er zijn
inmiddels bijna een miljoen ondernemers zonder personeel, vaak vakmensen, die tijdens de
crisis forse klappen hebben moeten opvangen. Onze regeling op het gebied van pensioenen,
bescherming in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid zijn niet op hen toegesneden -
maar zij horen wel onderdeel te worden van bescherming en zekerheden die wij anderen wel
bieden in onze verzorgingsstaat.

Arbeid, stijgingskansen en onderwijs

De idealen van zinvolle en gerespecteerde arbeid, de mogelijkheid om vooruit te kunnen
komen en onderwijs dat de veilige omgeving biedt om het beste uit je zelf te halen zijn
actueler dan ooit. Maar de trends wijzen tot nu toe in een andere richting. In de huidige
discussies over arbeid en arbeidsrecht is het financieel-economische perspectief vaak
leidend.

Fundamenteel in onze heroriëntatie is om deze trends ten goede te keren. Dat betekent
gematigde inkomensverschillen, vasthouden aan het principe dat de sterkste schouders ook
werkelijk de zwaarste lasten dragen, zonder onaanvaardbare uitschieters aan bovenkant en
onderkant. Dat betekent opnieuw aandacht voor de rechten van werkenden en de kwaliteit
van werk en werkomgeving. Politieke partijen kunnen daar direct een bijdrage aan leveren
door de kwaliteit van het werk in de publieke sector - en vooral voor de frontlijnwerkers - te
verbeteren. Het extra geld voor het onderwijs en de politie-CAO van de afgelopen jaren
waren daar al voorbeelden van.

Dat betekent ook de mogelijkheden scheppen om vooruit te komen - door opleiding en
scholing bijvoorbeeld. Daarvoor is een herwaardering van vakmanschap en ambachtelijkheid
wenselijk. We hebben niet alleen behoefte aan ingenieurs, maar ook aan monteurs. Een
fundamentele herwaardering en verbetering van de kwaliteit van onderwijs op het VMBO en
MBO behoort tot zo’n perspectief. De kiemen daarvoor lijken gelegd, het is nu zaak om die tot
wasdom te brengen.

Een breder welvaartsbegrip
Onze welvaart wordt eigenlijk vooral gemeten in termen van economische groei. Het is de
hoogste tijd om daaraan andere elementen toe te voegen, en terecht heeft Wouter Bos
daarvoor de weg geplaveid in zijn Den Uyl-lezing. ‘In de geduldige cijfers van het nationale
inkomen’, zei diezelfde Den Uyl op het congres van de PvdA in 1963, ‘telt de electrische
tandenborstel evenzeer als de verpleeghulp, de reclame-uitgaven voor het definitieve
kalmeringsmiddel evenzeer als de entreeprijzen voor de schouwburg, het
commissarissentantième evenzeer als de blindenrente. Groei van het nationale inkomen per
hoofd van de bevolking op zichzelf is geen waarborg voor het welzijn, voor de verbetering van
de kwaliteit van het bestaan.’

Daaraan voeg ik nu toe, dat een goede combinatie van werk en zorg, de veiligheid van onze
omgeving, duurzaamheid, de rijkdom van kunst en cultuur en een goede bereikbaarheid
evenzeer bijdragen aan de kwaliteit van ons leven en onze welvaart als het verdiende
inkomen alleen. Levensgeluk wordt niet uitgedrukt in euro’s.

Een zelfbewuste overheid

De wijze waarop in het recente verleden publieke taken zijn georganiseerd behoeft werkelijk
bijstelling. Wij hebben de afgelopen jaren een aantal taken op afstand geplaatst dan wel aan
de markt overgelaten, zonder de organisatie van publieke zeggenschap en verantwoording
goed te regelen. Daardoor is een democratisch tekort ontstaan. Voorafgaand aan
besluitvorming om taken op afstand of in de markt te plaatsen moet daarom getoetst worden
of de publieke zeggenschap, verantwoordelijkheid en verantwoording afdoende geregeld zijn.
Wegen de gewenste doelmatigheid- of efficiency voordelen niet op tegen de kosten ervan,
bijvoorbeeld in termen van publieke verantwoording, dan kan de consequentie zijn dat een
bepaalde publieke taak niet aan de markt wordt toevertrouwd - of zelfs terug wordt gehaald
naar het publieke domein.

Wij hebben na het neo-liberale tijdperk voor alles een zelfbewuste overheid nodig. De
overheid is de hoeder van de publieke zaak in naam van de burgers, van ons allen. De
overheid heeft de bevoegdheid om algemeen verbindende regels te stellen en deze af te
dwingen, belasting te heffen en collectieve voorzieningen te verzorgen. Die publieke taken
worden door en in het democratisch bestel gelegitimeerd. Als hoeder van de publieke zaak
komt de overheid de organisatie van de publieke zeggenschap en de publieke
verantwoording hierover toe. Zij hoort bij de als publiek gedefinieerde zaken de touwtjes
stevig in handen te houden. Essentieel is daarbij: the law is the law.

Tot slot

Nederland staat op een wezenlijk moment in zijn politieke geschiedenis - op een tweesprong.
De centrale vraag voor de komende verkiezingen - en ver voorbij deze - zou moeten zijn: in
wat voor maatschappij willen wij leven? Kiezen we voor een maatschappij van het brede
maatschappelijke midden, waarin sociale mobiliteit een wenkend perspectief is? Met een
sterke, ondernemende, innovatieve, groene economie?

Waarin verantwoordelijk burgerschap wordt gevraagd van beneden, maar minstens evenzeer van boven? Een maatschappij die grenzen stelt aan het geld, die ondernemen stimuleert in plaats van overnemen, die aan arbeid een centrale plaats toekent waar mensen waardering vinden, die dus investeert in het opleiden van ingenieurs èn monteurs, die de publieke sector niet als een vijand ziet maar als essentieel – maar wel in de hand te houden- onderdeel van ons welzijn, die niet alleen wil bezuinigen, maar lasten eerlijk wil verdelen om belangrijke voorzieningen in stand te houden, die bevordert dat iedereen een bijdrage aan de maatschappij kan leveren en dat daadwerkelijk doet, en die pluriformiteit binnen de grenzen van de rechtsstaat als uitgangspunt van een democratische rechtsorde ziet?.

De vraag is te herformuleren in keuzetermen van het Centraal Planbureau: hoe beschaafd is
Nederland? Kiezen we voor een gepolariseerd model in cultureel en economisch opzicht?
Een model waarin het wij-zij perspectief domineert en migranten als permanente indringers
worden beschouwd die er niet bij horen? Een Angelsaksisch economisch model waarin
ongelijkheid in inkomen en vermogen ongeremd toenemen en de publieke sector onmachtig
wordt gemaakt? Of kiezen we voor een Europees model, met gematigde inkomens- en
vermogensverschillen, een betekenisvolle publieke sector, een stevig sociaal
zekerheidsstelsel, dat burgerschap en participatie centraal stelt?
Mijn antwoord daarop heb ik u hier vanmiddag gegeven.


De financiële crisis voorbij: kansen voor onze samenleving.
Van der Wielen Lezing 2010
door Job Cohen
Uitgesproken op vrijdag 26 maart 2010
In Leeuwarden.

Voor deze lezing maakte ik meer of minder vrijmoedig gebruik van de volgende literatuur:
L. Asscher, De ontsluierde stad, Amsterdam 2010.
F. Becker en R. Cuperus, ‘Over links of door het midden?’, in: Socialisme & Democratie 67
(2010) 3.
A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming. Ondernemingen overgeleverd aan financiers?,
Assen 2009.
W. Bos, De Derde Weg voorbij, de 21ste J.M. den Uyl-lezing.
M. J. Cohen, Binden. Met een inleidend interview door Bas Heijne, Amsterdam 2009.
M. J. Cohen, Het wezen van de democratie. Mandela Lezing 2010.
R. Cuperus, De wereldburger bestaat niet. Waarom de opstand der elites de samenleving
ondermijnt, Amsterdam 2009.
P. Hagen, Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra, Amsterdam/Antwerpen
2010.
A. Hemerijck, B. Knapen en E. van Doorne (eds.), Aftershocks. Economic Crisis and
Institutional Choice, Amsterdam 2009.
E. Kalse en D. van Lent, Bankroet. Hoe bankiers ons in de ergste crisis sinds de Grote
Depressie stortten, Amsterdam/Rotterdam 2009.
C.P. Kindleberger en R.Z. Aliber, Manias, Panics and Crashes. A History of Financial Crisis,
New York 2005.
B. Otten, ‘Wethouderssocialisme nieuwe stijl. Van plannen naar binden’, in: Lokale politiek als
laboratorium. In de voetsporen van Wibaut en Drees, WBS jaarboek 2009, Den Haag 2009.
B. Van Praag, ‘Het hete hangijzer van de vergrijzing’, in: Socialisme & Democratie 67 (2010)
1-2.
J.M. den Uyl, De toekomst onder ogen. Beschouwingen over socialisme, economie en
economische politiek, Amsterdam 1986.
J. Smit, De prooi. Blinde trots breekt ABN Amro, Amsterdam 2008.
J.E. Stiglitz, Freefall: America, Free Markets, and the Sinking of the Global Economy, New
York 2010.
O. Velthuis en L. Noordegraaf-Eelens, Op naar de volgende crisis! Over het verleidend
vermogen van de financiële markt, Kampen 2009.
Verslag van het negende congres van de Partij van de Arbeid, gehouden op 17, 18 en 19
januari 1963, in het gebouw van de Dierentuin, te ’s Gravenhage, Amsterdam z.j.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden