Column Jasper van Kuijk

Gek hoe kennis van de grammatica je tegelijk zekerder én onzekerder kan maken

Je komt in Zweden een heel eind met Engels, maar er ontstaat dan toch afstand. Het lijkt me geen toeval dat presentator Ruben Terlou zo’n rijk beeld van China weet te scheppen. Doordat hij Mandarijn spreekt kan hij echt contact maken. Taal is de sleutel tot een land.

Dus zitten onze jongens op een Zweedse school en doet Ems de door de overheid aangeboden opleiding Zweeds voor Immigranten. Ook spraken we af om zoveel mogelijk in het Zweeds te doen. Nog vanuit Nederland deden we de mailwisselingen met de school en de Zweedse Belastingdienst in worstelend Zweeds, met hulp van onze vriend Google Translate.

Soms is het frustrerend. Ems barstte een tijdje geleden na thuiskomst van haar fitnessklasje in de lokale gymzaal bijna in huilen uit. Na afloop was er nagepraat, maar het lukte haar niet om te zeggen wat ze wilde. Het zit wel in je hoofd, maar je hebt de woorden niet. En waar Acht zich met zijn extraverte karakter vanaf moment één in de klas mengde en zo razendsnel Zweeds leerde, is Zes wat behoedzamer en praatte hij in het begin simpelweg niet. Gelukkig rende zijn lerares ons na twee maanden stralend tegemoet: ‘Zes praat Zweeds, hij is begonnen!’ En Vier gooit er nu nét zijn eerste Zweedse woordjes in.

Ik dacht dat ik er makkelijk van af zou komen omdat ik al Zweeds sprak. Een collega dacht in het begin dat ik afkomstig was uit de zuidelijke provincie Skåne. Dat komt ook doordat ik woorden en vervoegingen waarover ik twijfel al nonchalant pratend wegmoffel. Wegmompelen. Maar inmiddels loop ook ik tegen beperkingen aan. Omdat ik geen grammaticaregels ken. Zo kwam ik er pas een aantal jaar geleden tot mijn verbazing achter dat Zweden ‘de’ en ‘het’ áchter het zelfstandig naamwoord plakken. Dus niet ‘de tafel’, maar ‘tafel de’. Het is een regel die ik al toepas sinds ik in mijn kindertijd begon met Zweeds praten, maar ik had me gewoon nooit gerealiseerd dat-ie bestond.

Omdat ik Zweeds leerde tijdens de vakanties bij opa en oma leerde ik het vooral fonetisch. En: zonder vloeken en scheldwoorden. Die kwamen pas toen ik tijdens mijn studie stage liep in Zweden, bij Ericsson. Een uurtje naast een Zweedse programmeur met een deadline vergrootte mijn arsenaal aan krachttermen aanzienlijk. Om vervolgens op bezoek bij mijn oma íéts te overmoedig eruit te gooien dat mijn stage tot nu toe ‘skitkul’ (schijtleuk) was. Mijn oma wist even niet zo goed waar ze moest kijken en mijn tante vroeg haastig of er nog iemand koffie wilde.

Doordat Ems bij haar opleiding de grammaticaregels wel meekrijgt, merk ik ineens hoeveel ik niet weet. Ik weet niet eens óf ik fouten maak, laat staan wát ik fout doe.

Dus zit ik nu elke avond na het eten met het vijftig jaar oud boekje Swedish in Three Months, waaruit mijn vader destijds nog Zweeds leerde. En dat boekje maakt me knettergek. Niet per se door de wat archaïsche zinnen, hoewel ik me soms afvraag hoe nuttig het is dat ik nu in het Zweeds kan vragen of de winkelier nog een goede pijp in de aanbieding heeft. Het is vooral dat ik nu nadenk terwijl ik praat. Waar ik eerst op mijn intuïtie voer en lekker een eind weg kletste, ben ik nu ineens ‘bewust onbekwaam’. Ik hoor de fouten die ik maak, denk na over vervoegingen, ik twijfel. Gek hoe kennis van de grammatica je tegelijk zekerder én onzekerder kan maken. Op langere termijn – three months, hoop ik – gaat het me vast helpen en tot die tijd kan ik me er altijd nog uitmompelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden