ColumnPeter Buwalda

Geen hond wordt vals geboren, het begint met een tekort aan liefde

. Beeld .
.Beeld .

Tart nooit mevrouwen van organisaties. Dat het wolven in schaapskleren zijn hoor je mij niet zeggen, dat is overdreven, valse honden is genoeg.

Over wie gaat het? Over de dames die namens leesclubs dan wel bibliotheken dan wel boekhandels contact opnemen met writers die komen optreden.

De lezing was in Brummen. De mevrouw van de organisatie stuurde een week of zes ervoor een mail waarin ze zich voorstelde, iets vertelde over de organisatie, over de keer dat William Shakespeare te gast was. Ze vroeg of ik van tevoren wilde mee-eten? En zo ja, hoe laat kwam ik aan?

Hier gaat het vaak mis. De precieze antwoorden weet ik pas over zes weken, als mijn trein vaststaat in een weiland, maar in plaats van zulks per kerende post mee te delen (‘nee’, en ‘te laat’), zeg ik niks.

Dit tart de mevrouw van de organisatie. Geen hond wordt vals geboren, er is altijd sprake geweest van een tekort aan liefde en aandacht.

De mevrouw van de organisatie begon me te bellen. Begrijpelijk natuurlijk, maar het nadeel van opnemen is dat de eerste kennismaking ongezellig zal verlopen. (Ik bedoel, niet terugmailen, niet mee-eten, en dan al op voorhand te laat komen?)

Ergo: voicemail. Later, wanneer de lezing zogezegd in kannen en kruiken is (?), beluister ik de ­berichten. Maar met plezier! Toch tartte dit de ­mevrouw van de organisatie in Brummen.

Alras werd het erger. Zoals ik al had voorzien, maar de mevrouw nog niet natuurlijk, die dacht dat ik dood was, miste ik in Apeldoorn de trein naar Zutphen. We hadden een tijdje stilgestaan op de ­Veluwe. Ik ging een kwartier te laat komen, tenzij de mevrouw van de organisatie me ophaalde en hem op z’n staart zou trappen.

Ik belde terwijl ze zat te eten met het bestuur. Ze klonk blij om mijn stem te horen, al kon het ook extreme opluchting zijn. Ze kwam er in ieder geval aan.

‘Ik eet trouwens niet mee’, zei ik. Vermoedelijk heeft dit de mevrouw getart. Alsof ze naar het moment uitkeek, zei ze: ‘Ik zorg ervoor dat je de trein van kwart over tien haalt.’

De lezing ging pico bello, al zeg ik het zelf. De ­mevrouw van de organisatie zei er niks over. Ze had me tot tien voor half elf door laten kletsen, maar ze zette me op station Brummen af voor de trein van kwart voor. Dáág, zei de mevrouw van de organisatie.

Die trein ging niet. Was nooit gegaan, zelfs. De eerstvolgende ging om kwart over elf. Dit heeft de ­mevrouw van de organisatie geweten.

Tussen Zutphen en Apeldoorn stonden we stil in een weiland. Ik zocht op hoe laat ik thuis zou zijn. Half vier, als het meezat.

In Apeldoorn besloot ik een hotel te nemen. Precies een uur dwaalde ik door deze groeikern, die ­terecht niet op het monopolybord staat en terecht geen voetbalclub heeft. Geen hotel te vinden. Tijdens het bellen naar Jet ging mijn telefoon leeg. Het was inmiddels kwart over twee, ik stond aan een tochtige rondweg. Er reden taxi’s, maar ze stopten niet.

Toen ik terug was bij het station was het bijna drie uur. Er stond een taxichauffeur, hij wilde me graag naar Amsterdam-Noord brengen. Hij draaide Nederlandse hits, wat ik leuk vond voor een Afghaan. Hij hoefde maar 200 euro te hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden