Geef ons postpopulistisch leiderschap

Vorige week was de week van de 'demofobie', de angst voor het volk. In de Tweede Kamer werd het referendum afgeschoten. Na achttien jaar parlementaire behandeling. Partijen die ooit initiatiefnemer van het correctief referendum waren geweest, waren inmiddels door hun leden teruggefloten. Zie D66, GroenLinks en de PvdA.

Deze referendumdraai is een teken des tijds. Progressieve partijen bleken voorstander van referenda toen de tijdgeest links en progressief was. Maar nu de tijdgeest nationalisme en populisme ademt, weet men niet hoe snel men van die referenda af moet komen.

Veelbetekenend is ook dat uit onderzoek blijkt dat hoogopgeleiden een weerzin tegen referenda hebben, terwijl lager opgeleiden er juist voorstander van zijn. Hoe beter je je door de gevestigde politiek gerepresenteerd voelt, des te minder animo voor correctiemechanismen op het mainstream establishment. Voor populisten zijn referenda de noodrem tegen een losgezongen elite.

Het referendum is in een kwade reuk terechtgekomen. Vooral het door GeenStijl en toiletrollen gekaapte Oekraïne-referendum heeft het verpest. Niet door enige buitenlandkennis gehinderde burgers zouden hier hun boze emoties de vrije loop hebben gelaten, en geopolitiek-kortzichtig tegen associatie met Oekraïne hebben gestemd. Dat was een foute keuze. Exit referendum.

Met het afwijzen van het correctief referendum is de representatieve orde weer hersteld. Eenmaal in de vier jaar stemmen is voor burgers goed genoeg. Voor de rest hebben we een vertegenwoordigende partijendemocratie die het land bestuurt. En daarmee basta.

Hiermee is een einde gekomen aan vijftig jaar pogingen tot bestuurlijke en staatkundige vernieuwing. Sinds 1966, het oprichtingsjaar van D66, kwam er een eindeloze reeks commissies en initiatieven voorbij - van Biesheuvel en Deetman tot ministers voor bestuurlijke vernieuwing: het heeft vrijwel niets opgeleverd. De gevestigde politiek vindt het wel best zo. Ondanks alle politieke fragmentatie en turbulentie, of juist daardoor, houdt men vast aan het bestaande.

We stuiten hier op de regenteske herbevestiging van Nederland als 'bestuurdersdemocratie'. Anders dan in ons omringende landen kiest men in Nederland van oudsher niet de macht zelf, maar de controle op de macht. Ga maar na. Wij kiezen geen premier of president. En geen burgemeesters. In plaats daarvan hebben we Tweede Kamer- en gemeenteraadsverkiezingen. Wij kiezen volksvertegenwoordigers, geen bestuurders.

Over nationale identiteit gesproken! Nederland is democratisch gezien een raar land. Heel egalitair, maar niet als het op besturen aankomt. Alsof we de schrik van het Plakkaat van Verlatinghe nooit te boven zijn gekomen. Als eerste land ter wereld ging Nederland het toen (in 1581) zonder vorstelijk staatshoofd stellen en kreeg het burgerlijk zelfbestuur. Doodeng. Dus dat bestuur moest dan wel door patriciaats-regenten uitgeoefend worden, en niet door het gewone volk. En liefst ook zonder sterke leiders, maar in een collectief polderend en vergaderend gezelschap, met diffuse, gedeelde verantwoordelijkheid. Het heeft ons land geen windeieren gelegd. We zijn er rijk, succesvol en goed georganiseerd mee geworden.

Het Binnenhof. Foto ANP

Het gaat pas mis als de koers van het regentencollectief fors gaat afwijken van wat een groot deel van de bevolking wil. En dat is gebeurd. Er is een conflict ontstaan tussen bestuurders en kiezers over de toekomstkoers van de samenleving. De ingeslagen weg van globalisering, europeanisering, multiculturalisering en postindustrialisering is bij de bevolking op grote weerstand gestuit. Zie daar de revolte van het populisme.

De kortsluiting tussen bestuurders en kiezers had misschien niet zo dramatisch hoeven zijn als beter gereageerd was op de afbrokkeling van de politieke partijen en de grotere mondigheid van burgers. Bijvoorbeeld met staatkundige en bestuurlijke vernieuwing. Daartoe was de gevestigde politiek niet in staat. En nu is het te laat. De geest van het populisme is uit de fles. De volksangst bij bestuurders en hoger opgeleiden is tot hysterische hoogte gestegen.

Gevraagd: politici die een verzoening tot stand brengen tussen establishment en populisme. Niet door antipopulistisch leiderschap, maar door postpopulistisch leiderschap. Door politici die het gevaarlijke alarmsignaal van het populisme echt tot zich hebben laten doordringen.