Gastcolumn: 'Europa moet zijn realisme herontdekken'

Door zijn afkeer van machtspolitiek wordt Europa steeds minder relevant voor de VS, betoogt onze nieuwe gastcolumnist Elmar Hellendoorn. 'Aan Amerikaanse universiteiten en denktanks is een groeiende desinteresse in Europa merkbaar.'

Bondskanselier Adenauer en de Franse president De Gaulle ontmoeten elkaar (1963). Foto AP

Het progressieve Europa heeft steeds minder invloed op de wereld, terwijl de machtspolitieke wereld steeds meer invloed heeft op Europa. Realpolitiker Konrad Adenauer en Charles de Gaulle wilden Europa bouwen als een strategisch machtsblok dat ook ooit het herrijzende China zou weerstaan. Maar de generatie van mei 1968 verwierp dat ‘reactionaire’ machtsdenken en zaaide daarmee de kiem voor het hedendaagse populisme. Naarmate Europese samenlevingen de zeggenschap over hun eigen lot verliezen, verliezen de hoeders van het Europese project hun legitimiteit.

Het strategische denken is in Europa onderontwikkeld. Dat is problematisch, want de mate waarin we de wereld begrijpen is bepalend voor de mate waarin we de wereld kunnen beïnvloeden. De Verenigde Staten zijn in een relatieve neergang en Washington zal Europa niet gegarandeerd beschermen tegen de opkomst van China, de dreiging vanuit Rusland en de onrust vanuit het Midden-Oosten. Europa zal meer op eigen benen moeten staan en verantwoordelijkheid moeten nemen voor zijn eigen lot. Dat vereist niet alleen investeringen in harde militaire middelen, maar ook een renaissance van het Europese machtspolitieke denken.

De Verenigde Staten hebben sinds de Tweede Wereldoorlog continu geïnvesteerd in de ontwikkeling van het Amerikaanse machtspolitieke denken. Dat werd een balans tegen het traditionele Amerikaanse idealisme. Initieel kwam het initiatief vooral vanuit het Pentagon. In de jaren veertig begreep de Amerikaanse militaire top dat de nieuwe, wereldwijde Amerikaanse verplichtingen een fundamenteel en realistisch begrip van geopolitiek en internationale veiligheid vereisten. Geconfronteerd met de totalitaire barbarij van Hitler en Stalin, bleek het traditionele Amerikaanse geloof in de goedheid van de mensheid naïef.

Europeanen

Opvallend genoeg waren het oorspronkelijk veelal Europese immigranten die het Amerikaanse machtspolitieke denken vormden – zoals de Nederlandse Nicholas Spykman, de Duitse Hans Morgenthau en Henry Kissinger, de Poolse Zbigniew Brzezinski, de Oostenrijkse Robert Strausz-Hupé, en de Roemeens-Italiaanse Edward Luttwak (allemaal lezenswaardig!). Deze Europeanen leerden de Amerikanen om de wereld in termen van politieke macht en militaire kracht te zien. Hun realisme vormde de basis voor het Amerikaanse veiligheidsbeleid tijdens de Koude Oorlog.

Het is een traditie die voortduurt – Europeanen die machtspolitiek en strategie bestuderen komen elkaar tegen op Harvard, Yale, en Stanford, en niet zozeer op Europese universiteiten. Maar die Europeanen gaan nu vooral overzee om van de Amerikaanse instellingen te leren.

Sinds de jaren veertig kan het denken over machtspolitiek zich continue en vrijelijk ontwikkelen aan Amerikaanse universiteiten en denktanks. Naast het Pentagon en het State Department zorgen ook privédonaties voor het financiële fundament van die intellectuele infrastructuur. De kennisnetwerken zijn indrukwekkend. Academici en denktankers kunnen een paar jaar interessante overheidsfuncties vervullen en dan weer terugkeren naar hun academische carrière. Hoge ambtenaren doceren en schrijven boeken aan universiteiten en denktanks nadat ze een tijd voor de overheid hebben gewerkt.

Somber historisch realisme

De situatie in Europa staat in contrast met de Amerikaanse praktijk. Na de Tweede Wereldoorlog wisten conservatieve leiders als Konrad Adenauer en Charles de Gaulle het Europese ideaal van verzoening en integratie te bereiken dankzij hun sombere historische realisme. Maar in mei 1968 zette de jonge, naoorlogse generatie zich af tegen die ‘ouderwetse’, zo niet ‘reactionaire’ Europese leiders. Met die progressieve revolutie ontwikkelde zich in Europa een diepgewortelde maatschappelijke afkeer van openlijk machtspolitiek en militair handelen.

Zolang de Amerikaanse militaire en nucleaire macht Europa vrijwaarde van internationaal conflict, konden Europeanen geopolitiek en strategie goeddeels negeren. Het sobere historische besef van de lange, bloedige Europese geschiedenis erodeerde. Aan de veelal progressieve Europese universiteiten werden internationale conflicten in steeds abstractere en theoretischer termen bestudeerd. Academische aansluiting met de praktijk werd zelfs lang met dédain bezien.

Pogingen van Europese denktanks om dit gat op te vullen waren marginaal succesvol. De serieuze denktanks in Brussel staan vooral ten dienste van de Europese samenwerking. Europese denktanks zijn goeddeels afhankelijk van publieke middelen en moeten zich daarom vaak houden aan projectkaders die aansluiten bij wat politiek en ambtelijk wenselijk is.

Desinteresse

De huidige, zelfbenoemde Europese elites zijn sterk gevormd door progressieve idealen en voelen zich ongemakkelijk bij harde analyses gebaseerd op Realpolitik. De Europese desinteresse in militaire uitgaven lijkt mede een gevolg van de relatief gebrekkige maatschappelijke kennis van veiligheidspolitiek. Londen en Parijs vormen een uitzondering, maar de invloedrijkste geopolitieke en militair-strategische inzichten worden nog altijd in Washington ontwikkeld.

Door gebrek aan historisch realisme wordt Europa ook steeds minder relevant voor de VS. Hoewel Europese leiders vaak naar Amerikaanse strategische denkers luisteren om de wereld te duiden, is aan Amerikaanse universiteiten en denktanks een groeiende desinteresse in Europa merkbaar. Bij gebrek aan een gelijkgestemde Euro-Amerikaanse dialoog wordt de houdbaarheid van de Atlantische alliantie onzeker.

Wil Europa zijn lot veiligstellen, dan zal het zijn idealisme moeten balanceren met een hernieuwd realisme. De Europeanen moeten hun eigen vorm van Realpolitik en strategische analyse herontdekken. De lange Europese geschiedenis is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Er valt veel leren van de manier waarop het vrije strategische denken in de VS gestimuleerd wordt.

Zeker in tijden van America First lopen het Amerikaanse belang en het Europese belang niet altijd parallel. Het is niet verstandig om blind te vertrouwen op Amerikaanse militaire en politieke steun. Evenmin is de invloed van het Amerikaanse machtspolitieke denken altijd in het Europese belang.

Elmar Hellendoorn is post-doctoral research fellow aan het Belfer Center van de Harvard Kennedy School.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.