gastcolumn Leo Lucassen

Gastcolumn: Bolkestein en het integratiepessimisme

Gezien de beroerde start en de sociale achtergrond van de eerste generatie is het een klein wonder dat het na vier decennia zo goed gaat met de integratie van de kinderen en kleinkinderen van de gastarbeiders, vindt gastcolumnist Leo Lucassen.

Leerlingen van Hogeschool InHolland in Rotterdam, 2008. Beeld Joost van den Broek / de Volkskrant

Vorige week verscheen een interview in het Algemeen Dagblad met de nu 85-jarige Frits Bolkestein. Daarin liet hij zich ontvallen: ‘Wie heeft gezegd dat de integratie is mislukt, mag zijn woorden opeten.’ Die uitspraak is in twee opzichten opmerkelijk. Ten eerste is hij blijkbaar vergeten dat hij op 14 november 2003, in een interview met het Nederlands Dagblad, zelf verklaarde dat de integratie mislukt was. Maar minstens zo interessant is dat hij met deze (positieve) draai ingaat tegen het nu al bijna dertig jaar voortdurende integratiepessimisme. Want het was diezelfde Bolkestein die aan de basis stond van dat gesomber door in 1990 de tot dan toe politiek breed gedeelde stilzwijgende afspraak te doorbreken om het migrantenthema niet te politiseren.

Dat de toenmalige VVD-fractieleider de moeizaam verlopende integratie van met name Turkse en Marokkaanse gastarbeiders en hun kinderen op de politieke agenda zette, en in 1994 tot electoraal thema maakte, was op zichzelf niet zo vreemd. De gezinshereniging van de voormalige gastarbeiders kwam op gang aan het einde van de jaren zeventig, net toen de bedrijven die hen in groten getale hadden geworven massaal hun poorten sloten. De eerste tien jaar van het integratieproces vielen daarmee samen met een lange economische recessie, waarin veel arbeidsmigranten veroordeeld waren tot een werkloos bestaan in de slechtste wijken van de grote steden. Migranten die bovendien speciaal op lage, of geen, scholing waren geselecteerd, nauwelijks Nederlands spraken en grote moeite hadden om hun kinderen voor te bereiden op een toekomst in Nederland. Dat dit tot langdurige sociale en culturele problemen zou leiden was onvermijdelijk.

Salman Rushdie

Toch zou het idee van de ‘mislukte integratie’ zich pas in de loop van de jaren negentig tot een nationale obsessie ontwikkelen. Cruciaal hierin waren de demonstraties van Nederlandse moslims tegen de aangekondigde vertaling van Salman Rushdie’s boek The Satanic Verses in het voorjaar van 1989, dat door orthodoxe moslims internationaal als een grove belediging van de profeet werd opgevat en veroordeeld. Volgens veel moslims in binnen- en buitenland, opgezweept door de fatwa van de geestelijk leider van Iran, ayatollah Khomeini, moest het boek verbrand en Rushdie gedood.

Daarmee verdampte langzaam maar zeker van links tot rechts de politieke correctheid en ontstond een nieuw klimaat waarin kritiek op migranten, die in de publieke perceptie in de praktijk samenvielen met moslims, steeds minder een taboe werd. Een klimaat waarin naast Bolkestein ook (de voormalige PvdA’er) Pim Fortuyn goed gedijde. Beiden richtten hun pijlen op de islam en introduceerden cultuur als de belangrijkste verklaring voor integratieproblemen.

Tien jaar later verdiepte het pessimisme zich als gevolg van de aanslagen op 9/11, de aanslag op Fortuyn in mei 2002 en de brute moord op Theo van Gogh in 2004. Hoewel de moordenaar van Fortuyn een Nederlandse milieuactivist was, smolten deze drie traumatische gebeurtenissen samen tot één brok rancune tegen immigranten en dan met de name tegen de moslims onder hen. De parlementaire enquêtecommissie naar het integratiebeleid, onder leiding van het toenmalige VVD-Kamerlid Stef Blok, concludeerde op grond van nuchtere feiten in januari 2004 dat ‘de integratie geheel of gedeeltelijk was gelukt’. Hij werd nog net niet met pek en veren van het Binnenhof weggevoerd.

Een geruisloos wonder

In dit gepolariseerde klimaat richtte (de voormalige VVD-parlementariër) Geert Wilders, politiek opgeleid door Frits Bolkestein, in 2006 de Partij voor de Vrijheid op, die stelselmatig de islam demoniseert en met name Marokkanen stigmatiseert. Met de intrede van Thierry Baudet in de Tweede Kamer, en diens racistische ideeën over ‘omvolking’, ofwel de veronderstelling dat de Europese bevolking door naïef open grenzenbeleid langzaam maar zeker vervangen wordt door immigranten (lees moslims en Afrikanen), radicaliseert het integratiepessimisme nog verder.

En terwijl andere partijen deze frames deels overnamen, ging de integratie van de kinderen en kleinkinderen van die vermaledijde moslims gewoon door. Ondanks de voortdurende problematisering en discriminatie op de arbeidsmarkt. Onderzoek laat zien dat criminaliteit intussen sterk gedaald is, de arbeidsparticipatie toegenomen, en steeds meer van hen hoger onderwijs volgen. En voor veel van degenen die islamitisch zijn, wordt het geloof steeds meer een persoonlijke kwestie die best samengaat met de waarden die in de Nederlandse grondwet liggen besloten.

Vooral gezien de eerder geschetste uitermate beroerde timing van de start van het integratieproces en de sociale achtergrond van de eerste generatie mag dat na vier decennia een klein wonder heten. Dat er tegelijkertijd ook hardnekkige sociale en culturele problemen bestaan, hoeft precies vanwege diezelfde ongunstige startpositie veel minder te verbazen. Door het oorverdovende kabaal over migratie en integratie in het publieke debat is er echter nauwelijks aandacht voor dat geruisloze wonder, behalve dan af en toe bij mensen van wie je het niet direct zou verwachten.

Leo Lucassen is Directeur Onderzoek van het International Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. In maart is hij gastcolumnist op Volkskrant.nl. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden