Fokke Obbema.

Beschouwing zingeving

Fokke Obbema ging op zoek naar de zin van het leven. Dit is wat hij ontdekte

Fokke Obbema. Beeld Jitske Schols

Fokke Obbema was na een hartstilstand even dood. Na zijn herstel ging hij op zoek naar de zin van het leven. Hij vroeg er veertig gesprekspartners naar en vat hier in zeven inzichten samen wat zijn zoektocht opleverde.

Nog altijd is het een gedachte die me kan overrompelen: alles, maar dan ook alles waar ik me in het dagelijks leven druk over maak, zou in een klap zijn weggevaagd, wanneer mijn hartstilstand twee jaar geleden de gebruikelijke afloop zou hebben gekregen. De volgende gedachte is dat het uitstel van executie is geweest, alle opgewekte grapjes ten spijt over het ‘me dagelijks verwijderen van de dag van mijn dood’. Want die onbevattelijke gebeurtenis komt natuurlijk toch weer naar me toe, hoe goed mijn dagelijkse bezigheden ook helpen dat besef weg te drukken. Gelukkig delen we allen dat lot – we zijn tenslotte, in de woorden van Nietzsche, ‘broeders in de dood’.

De existentiële vragen die uit dit besef van sterfelijkheid voortvloeien, stelde ik tijdens de veertig gesprekken die ik gedurende een jaar voor de Volkskrant heb gevoerd. Vooral in het begin voelde ik de urgentie antwoorden te vinden: waartoe dient het allemaal, wat is de essentie van het leven, wat is de essentie van de mens? De hoop op een mogelijke zin van ons leven dreef me voort. Helaas zagen mijn eerste gesprekspartners die niet, A.L. Snijders in zijn Gelderse landhuis voorop. De 80-jarige schrijver wist het zeker, zich beroepend op Nabokov met diens omschrijving van het leven als een ‘spleetje licht tussen twee eeuwige perioden van duisternis’. Over de zinloosheid van ons leven bleek hij, tot mijn verwarring, zelfs ronduit verheugd.

Natuurlijk dacht ik niet een alomvattend, afdoend antwoord te vinden – of een afgeronde frase waarmee ik de dood in al zijn onbevattelijkheid zou kunnen bedwingen. Zo naïef was ik nu ook weer niet. Maar ik hoopte wel op geruststellende gedachten die houvast zouden kunnen bieden – op serieus weerwerk tegen de chaos en willekeur die zich zo plots hadden aangediend.

Om niets bij voorbaat uit te sluiten, stelde ik me onbevooroordeeld op – hoe excentriek ook, alle wijsheid van mijn broeders en zusters in de dood was welkom. Eenieder die een poging deed orde in de chaos te scheppen, verdiende mijn aandacht en respect. Mijn vragen waren dan ook niet die van een kritische journalist, maar meer die van een betrokken lotgenoot, erop gericht samen dieper te komen – meer gesprekken dan interviews, al kregen ze in de krant de vorm van vraag en antwoord. Mijn kandidaten zocht ik in sterk uiteenlopende beroepsgroepen, omdat ik een zo breed mogelijk scala aan opvattingen wilde verkennen. Geleidelijk bleken zich twee hoofdcategorieën gesprekspartners af te tekenen: mensen die uit zichzelf en vaak vanaf hun jeugd naar de essentie van het bestaan hadden gezocht, veelal filosofen, schrijvers en religieuzen; en mensen die in zulk zwaar weer terecht waren gekomen dat zij zich, net als ik, ertoe genoodzaakt hadden gezien.

Wat heeft deze zoektocht me opgeleverd? Kort gezegd: een berg levenswijsheid, geen eenduidige antwoorden. ‘Mensen zijn niet eenduidig, het leven is dat niet’, stelde iemand me gerust. Geregeld had ik na afloop van een interview de indruk dat deze man of vrouw het bij het juiste eind had, om een week later in een ander verhaal ook weer veel waars te onderkennen. In betrekkelijk hoog tempo trokken zo veertig mensen met hun levenswijsheden aan me voorbij. In een poging tot verdere verdieping destilleer ik uit deze gesprekken zeven inzichten, waarvan sommige me met klem op het hart werden gedrukt.

Alle interviews zijn te lezen op Volkskrant.nl/zinvanhetleven

1. Kwetsbaarheid als essentie, het belang van verbinding.

Na de overval door de dood in mijn slaap dacht ik voor de rest van mijn leven wel genoeg te weten over de fragiliteit van ons bestaan. Maar predikant Claartje Kruijff plaatste die kwetsbaarheid in een voor mij verrassend perspectief. In haar ogen is het niet minder dan de essentie van ons leven. Ieder mens is ‘een schakel in een groter verbond’, hoezeer we ook soms menen er alleen voor te staan. Die verbinding is er met de medemens en de natuur, betoogt oud-ambassadeur Edy Korthals Altes, dat is ‘de grondwet in ons leven’. Daarvan kunnen we kennisnemen dankzij een ‘werkelijkheid die veel groter is dan wij ons kunnen voorstellen’, bijvoorbeeld door ‘het aanschouwen van het heelal, waarin wij slechts stofjes of vonkjes zijn’. We maken deel uit van een groter verbond, ‘waar ons leven met huid en haar aan is verbonden, of het dat nu wil of niet.’

Kenmerkend voor dat verbond is dat het niet precies valt te doorgronden. Dat behoort tot ‘het mysterie van het leven’, meent Kruijff: het doet zich vaak voor ‘op zulke complexe manieren dat we die helemaal niet kunnen begrijpen’. Maar dat er wel degelijk sprake van is, kan ieder voor zichzelf nagaan. Wanneer we ons kwetsbaar weten, een ervaring die ieder mens op enig moment ten deel valt, kunnen we het aan den lijve voelen. Geconfronteerd met kwesties van leven en dood of door ziekte gedwongen om hulp te vragen, kunnen we die ‘diepe verbondenheid met anderen’ ervaren. Schrijver Henk Blanken, die zichzelf naar eigen zeggen lange tijd als een ‘raar soort egoïst’ gedroeg, zag door de ziekte van Parkinson in dat het leven draait om ‘het geluk van de anderen’.

Dat de kwetsbaarheid van ons bestaan doorgaans wordt verdoezeld, houdt in de ogen van Kruijff verband met een samenleving die autonomie en zelfredzaamheid vooropstelt. Succes en status vormen maatschappelijke kernwaarden, met als gevolg ‘dat we het leven ook zo zijn gaan ervaren: je moet het zelf goed doen, zelf alles voor elkaar boksen.’ Bijval krijgt ze op dit punt van filosoof-cabaretier Tim Fransen, die de trend in onze cultuur hekelt ‘dat we vooral laten zien wat goed gaat, onze prestaties, terwijl we onze kwetsbaarheden afschermen. Dat is zo zonde. Als je alleen maar dat (wat goed gaat) vertelt, blijf je op een oppervlakkig niveau.’ De openheid die nodig is voor het tonen van kwetsbaarheid, vergt vertrouwen in de ander. Kwetsbaarheid is ‘klote, maar ook de voorwaarde voor alles wat mooi en waardevol is in dit leven’, stelt Fransen. Niet alleen onze neiging om aan succes en status belang te hechten zit ons in mijn ogen in de weg, maar ook onze overlevingsdrift. Die nodigt niet uit tot het tonen van zwakte.

Als ik maar één rode draad in alle gesprekken zou mogen aanwijzen dan is het wel dit belang van verbinding – vrijwel geen ‘zin van het leven’ werd geformuleerd zonder een hoofdrol voor de ander(en). Ongeacht of mijn gesprekspartner gelovig of atheïstisch was, man of vrouw, oud of jong, vrijwel iedereen hamerde op dit aambeeld van verbondenheid. Dat had voor mij tot gevolg dat dit inzicht meer ging beklijven. Aanvankelijk had ik de neiging het als nogal vanzelfsprekend af te doen – want ja, natuurlijk, we zijn nu eenmaal sociale dieren. Maar omdat die stelling wekelijks met zoveel vuur werd betrokken, als de essentie van het leven, veranderde er toch iets in mijn waarneming. In mijn dagelijks leven begon ik de variëteit ervan te onderkennen en leerde ik de breedte ervan te zien: ‘Verbinding kan ook met de natuur, muziek of een mooi boek zijn. Je kunt je ook in je eentje verbonden voelen. Het heeft iets heel solidairs dat we allemaal verdriet kennen maar ook vreugde. Het kunnen delen ervan is cruciaal, dat bepaalt of we gelukkig zijn’, meent filosoof Sanneke de Haan.

Verbinden in eenzaamheid is ook mogelijk, legt schrijver Bregje Hofstede uit: ‘Ik communiceer door vele uren alleen in mijn kamer door te brengen. Via die eenzaamheid kan ik iemand bereiken.’ In haar ogen vereist het een grote inspanning je leven van zin te voorzien – we moeten veel werk verzetten om ‘een web van betekenis te creëren’ en de dood kan daar zo maar doorheen maaien. Dat illustreert hoe kwetsbaar ons leven is. Leven draait voor haar, en voor mij, om onze omgang met die kwetsbaarheid: ‘We zijn vooral bezig die af te wenden door afleiding te zoeken in materiële zekerheid of emotionele stabiliteit door te beloven eeuwig bij elkaar te blijven. Dat is het sussen van de fundamentele onzekerheid over ons bestaan.’

Boven, vanaf links: Sanneke de Haan, Tim Fransen, Henk Blanken, Yfke Metz. Onder, vanaf links: Job Koelewijn, Monique Maarsen, Pieter Riemer, Ashis Mathura. Beeld Jitske Schols

2. Veerkracht, hand in hand met dankbaarheid

Een tweede rode draad: de mens mag dan een kwetsbaar, onzeker bestaan leiden, maar als dat daadwerkelijk blijkt (ziekte, ongelukken, dood van naasten) dan beschikt hij over grote veerkracht. Hoe zwaar zijn lot ook is, vrijwel altijd ziet hij lichtpuntjes – het levert meer zelfkennis op of, nog vaker, dankbaarheid. Neem het indrukwekkende levenslot van Yfke Metz. Van haar 41 jaar bracht zij alleen de eerste zes weken zonder jeuk door. Die jeuk nam exponentieel toe, toen zij haar kinderen op de wereld zette. Juist op het moment dat ze op een roze wolk had moeten zweven, twijfelde ze of ze haar leven nog kon volhouden (‘het werd echt ondraaglijk’). Nog altijd is ze de wanhoop soms nabij (‘Dan voel ik me zo leeg dat ik zelfs geen woede of verdriet meer kan voelen’), maar toch vindt ze het leven ‘iets magisch moois’. Dankzij haar ziekte is haar zelfinzicht gegroeid: ‘Ik ben van mezelf gaan houden. Dus ik ben ook dankbaar voor wat alle ellende me toch heeft gebracht.’

Die combinatie van ontbering en levensvreugde komt opmerkelijk veel terug. Schrijver Henk Blanken dankt zijn parkinson (‘Ik had dit niet willen missen’) en zegt dat het leven hem toelacht, ook al beschikt hij over nog maar een kwart van zijn energie – in zijn opgebloeide schrijverschap vindt hij compensatie. Kunstenaar Job Koelewijn ziet het auto-ongeluk waardoor hij op de grens van leven en dood balanceerde als ‘het beste wat me ooit is overkomen, mijn zintuigen zijn daardoor aangescherpt (…) en mijn angst is geknapt’. Cabaretier Funda Müjde, die door een auto-ongeluk in een rolstoel is beland, heeft in dankbaarheid voor het bestaan haar ‘antidepressivum’ gevonden. Ondanks haar invaliditeit kon ze zich al vrij kort na het ongeluk aan die dankbaarheid overgeven en ‘ik heb dat tot op de dag van vandaag vastgehouden’. Theoloog Christa Anbeek beantwoordde als twintiger twee zelfmoorden in haar gezin (haar vader en haar broer) met vertoon van daadkracht (‘weg van dit ravijn, full speed ahead’) – ze vindt dat die ‘ontregelende ervaringen’ nog wel meevielen, omdat ze ‘open’ kon blijven staan. Wel wijst ze erop dat veerkracht ook grenzen kent: ‘Ik heb jarenlang in de psychiatrie als geestelijk verzorger gewerkt en daar heb ik mensen definitief zien knakken.’

Violist en stervensbegeleider Susanne Niesporek verloor zowel haar eerste kind als haar man, maar ervaart haar levenslot niet als buitengewoon zwaar: ‘Als ik kijk wat er om me heen gebeurt, zeker als je de rest van de wereld erbij betrekt, denk ik: ook dit is het leven’. Die acceptatie van het eigen lot klinkt ook door bij vastgoedvrouw Monique Maarsen en theatermaker Wendy Hoogendijk. De eerste heeft chronisch Hodgkin, een ziekte die haar ‘op paden bracht die ik anders nooit had bewandeld’, zoals haar werk voor kinderkankerorganisatie Kika. Ook leerde ze dankzij haar ziekte naar haar ‘innerlijke stem’ te luisteren. Hoogendijk verloor haar vader door toedoen van een te hard rijdende, dronken bestuurder die op zijn telefoon keek. Over die ‘zinloze’ dood maakte ze een theatervoorstelling: ‘De vragen waarmee ik mezelf tot dan toe kwelde, verdwenen naar de achtergrond. Daarvoor in de plaats kwam een vorm van acceptatie van zijn dood. Als ik dat niet had gekund, was er geen verdere ruimte voor creativiteit gekomen (…). Bij alle fratsen die het leven met ons uithaalt, kunnen mensen op hun veerkracht terugvallen.’

Ten opzichte van de veel zwaardere lotgevallen van mijn gesprekspartners kwam mijn hartstilstand me geregeld voor als een walk in the park – ik heb geen enkele fysieke schade opgelopen. De vergelijking deed me wel realiseren dat ook bij mij veerkracht en dankbaarheid voor het bestaan hand in hand zijn gegaan.

3. Het leven is een leerschool

‘Word een mens’, luidt een van de opdrachten uit het hindoeïsme, zo vertelde Ashis Mathura me. In de ogen van deze hindoepriester, in het dagelijks leven ict-consultant, is het leven een leerproces dat tot doel heeft de zin ervan te ontdekken. ‘Mens ben je nog niet, je moet het worden en uitgroeien tot een individu dat zelf nadenkt, zijn eigen ethiek bepaalt en vooral: zelf ervaart. (…) De bedoeling is dat je ziel verder kan op zijn spirituele pad.’ In de hindoeïstische visie leidt de zo opgedane zelfkennis, na verloop van vele levens, tot ‘eenwording met het goddelijke’, al zegt Mathura er eerlijk bij dat hij niet weet wat hij zich daarbij moet voorstellen.

Je hoeft geen hindoe te zijn om het leven als leerschool te ervaren. Ook als atheïst of agnost kun je dat denkbeeld omarmen – ik zie het als een derde rode draad. Biochemicus Bert Poolman noemt als levenslange taak voor de mens ‘het leven te doorgronden, (…) dus fundamentele kennis te vergaren over elk niveau ervan.’ Biograaf Jolande Withuis, even ongelovig als Poolman, komt ook uit bij een leerproces: ‘Als er iets de zin van het leven is, dan is het wel: je eigen behoeften vinden, je eigen wensen, het vak waar je je talenten in kunt ontplooien (…), ontwikkel je talenten’. Advocaat Pieter Riemer ziet als doel het ‘excelleren op de vlakken waar je kwaliteiten liggen’, met een grote beloning tot gevolg: ‘Dan voel je je volkomen en heb je een geluksbeleving.’ Psychiater Jan Mokkenstorminmiddels overleden, rekende ‘leren, ontdekken’ tot de zin van het bestaan. Het leerproces helpt ‘iets goeds te doen voor de wereld en voor anderen’, denkt SCP-directeur Kim Putters, die meent dat het leven er zin door krijgt: ‘Uiteindelijk gaat het erom dat je leert van andere mensen, dat je jezelf ontwikkelt, maar ook jezelf tegenkomt; dat je leert waar je grenzen liggen en die van anderen’. Met leren door kennisverwerving is kunstenaar Job Koelewijn dagelijks bezig: al dertien jaar spreekt hij iedere ochtend 45 minuten een cassettebandje in door een boek voor te lezen – het liefst over existentiële vraagstukken, met Kant en Spinoza als favorieten. ‘Welke eigenschap van ons is nu mooier dan het denken? Er is een hiërarchie in ons lichaam, het hoofd vormt niet voor niets de top. Denken is ons meest verfijnde mechanisme en het is prachtig dit elke dag te trainen. Ik laaf me aan die kennis. Die wil ik integreren in mijn leven en doorgeven. (…) Aan grote denkers kan ik mijn geest slijpen. Een mens moet zijn eigen stompzinnigheid niet als norm nemen.’

Waar wetenschappers en dus een enkele kunstenaar hun heil vooral zoeken in kennis (celbioloog Anna Akhmanova noemt ‘persoonlijk een steentje bijdragen aan dat hele grote gebouw van de menselijke kennis’ zelfs haar levensdoel), benadrukken anderen juist het belang van levenswijsheid in veel ruimere zin. In het licht van mijn zoektocht spreekt mij dat vooral aan, want met alleen kennis kom je er niet, als het gaat om existentiële vragen. Levenswijsheid komt niet tot je via het denken, maar alleen door beleving, stelde Johan Witteveen, de inmiddels overleden oud-minister en soefi. Zijn visie op denken staat haaks op die van Koelewijn: ‘Denken is oppervlakkig. Voelen gaat veel dieper, dat dringt door tot in je ziel. Dat is het ware leven.’ Bestuurskundige Willemijn Dicke die een tien jaar durende spirituele zoektocht ondernam, illustreert dat aan de hand van de mantra’s die ze twee weken lang dertig keer per dag herhaalde: ‘Dat had een veel groter effect dan ik van tevoren had gedacht.’ Ze ervoer het als ‘een manier om wijsheid in jezelf te leren kennen’. 

 Ik zie hier een parallel met de inzichten bij deze serie die aan kracht wonnen door de herhaling. Of zoals iemand het formuleerde: ‘Wijsheid is niet een inzicht op een enkel moment, maar iets dat je via oefening tot je door moet laten dringen’. Dat kan op vele manieren, bijvoorbeeld door meditatie, zoals ik sinds mijn hartstilstand doe. Maar ook het dagelijks leren omgaan met een ziekte kan eraan bijdragen. Arts Ivan Wolffers, die al zestien jaar prostaatkanker heeft, leerde ‘beter te zien wat de essentie van het leven is. Je beseft wat je over het hoofd zag, toen je nog gezond was.’ In zijn geval was dat met name ‘de schoonheid van de natuur’.

Boven, vanaf links: Kim Putters, Johan Witteveen, Wendy Hoogendijk, Christa Anbeek. Onder, vanaf links: Jan Mokkenstorm, Ivan Wolffers, Susanne Niesporek, Joke Hermsen Beeld Jitske Schols

4. Hoop op vooruitgang – op weg naar een groter ethisch bewustzijn?

Wat levert al dat leren uiteindelijk op? ‘We blijven ploeteraars’, concludeert filosoof Sanneke de Haan. Dat mag individueel zo zijn, maar boeken we als mensheid geen vooruitgang, bijvoorbeeld in de vorm van een toenemend bewustzijn over de wereld, anderen en onszelf? Als liefhebber van lichtpuntjes bleef ik vragen op dat vlak stellen, ook al kreeg ik nogal wat reacties die onbegrip of zelfs misprijzen verrieden. Had ik soms de twintigste eeuw gemist – met zijn immense slachtpartijen, de Holocaust en alle genocides na 1945? Filosoof Joke Hermsen verwoordde het krachtig: ‘Ik zie geen voortschrijdend bewustzijn, kijk maar naar al het geweld in de afgelopen eeuw. (…) Door de eeuwen heen is de mensheid op ethisch vlak niet veel verder gekomen. Het enige dat we kunnen doen, is de geschiedenis en de filosofie blijven bestuderen om te voorkomen dat we in dezelfde valkuilen stappen.’

Klare taal. Toch valt er met een wijder tijdsperspectief een ander licht op te werpen. Voor biologisch psycholoog Sarah Durston lijdt het geen twijfel dat ‘ons collectieve bewustzijn enorm is toegenomen. Je kunt je bijna niet meer voorstellen hoe mensen pakweg vijfhonderd jaar geleden tegen de wereld aankeken. Laat staan dat we kunnen bedenken hoe ze dat over vijfhonderd jaar doen. Ik verwacht dat het met een veel groter bewustzijn zal zijn dan waartoe we nu in staat zijn.’

Biochemicus Bert Poolman ziet voortgang bij wat hij als de kerntaak van de mensheid ziet, namelijk ‘het opbouwen en doorgeven van kennis, normen en waarden, waarmee je een beschaving stapsgewijs op een hoger plan probeert te brengen.’ De opbouw van wetenschappelijke kennis versnelt zich. Poolman is het eens met de Zweed Hans Rosling, auteur van het optimistische Factfulness: ‘De wereld wordt veiliger, de mensheid wordt gezonder en welvarender, zelfs in de allerarmste landen (…) Natuurlijk zetten we soms stapjes terug, maar bekijk je het op een grotere tijdsschaal dan is de vooruitgang onmiskenbaar.’

Of dat ook op ethisch vlak geldt? Sterrenkundige Vincent Icke meent van niet: ‘Je kunt wel zeggen dat de kwaliteit van het leven is verbeterd – armoede, oorlog en ziektes zijn meetbaar afgenomen. Maar of onze ethiek erop vooruit is gegaan? Natuurlijk zijn we tegen slavernij, maar het komt nog steeds voor. We kunnen ons dat standpunt vooral permitteren dankzij de welvaart – ik hoef geen slaaf meer te hebben, want ik heb een wasmachine. De reden dat we in het vrije Westen zo ‘beschaafd’ kunnen zijn, is dat we het ons kunnen permitteren.’

De suggestie is dat door economische rampspoed het beschavingsvernisje van de mens zo valt weg te blazen. Maar dat lijkt me te kort door de bocht, daarvoor gaan de veranderde opvattingen in mijn ogen toch te diep. Kosmoloog-filosoof Gerard Bodifee illustreert dat mooi aan de hand van Aristoteles. ‘Die vroeg zich 2500 jaar geleden af wat een goede man is. ‘Dat is iemand die goed is voor zijn slaven’, zegt hij dan. Meteen merk je de enorme vooruitgang die we hebben geboekt. Voor ons is het bezit van slaven een grote misdaad geworden. Of neem Plato en Socrates. ‘Neem kinderen mee naar het slagveld om ze te ontwikkelen in dapperheid’, zeggen die. Nu is er nog wel oorlog, maar niemand zal dat als een goede plek voor kinderen zien. Het besef dat oorlog niet goed is, is breed gedeeld. Ethische groei is er zeker.’

5. Beperkingen van de wetenschap en herwaardering van religie

‘Mijn generatie heeft lang het idee gehad dat de bevrijding van religie, van het paternalisme en de verzuiling, kortom van alle beknellingen, alleen maar positief was. Wat we niet hebben beseft, is hoeveel we daarmee ook aan houvast verloren. We hebben ons enorm verkeken op religie – de gedachte dat de hele wereld het geloof vaarwel zou zeggen, is volkomen onjuist gebleken.’ Socioloog Christien Brinkgreve verwoordt waar haar eigen generatie, die van de babyboomers, de mist in is gegaan. Zelf behoor ik er niet toe, maar het gedachtengoed ken ik goed genoeg vanuit mijn eigen (voorheen katholieke) familie: als er een geloof was, dan was dat in de wetenschap, terwijl religie als gepasseerd station werd afgedaan. Dat overzichtelijke wereldbeeld vind ik na alle gesprekken maar moeilijk vol te houden.

Mijn twijfel eraan begint bij de beperkingen van de wetenschap, die tot mijn verrassing herhaaldelijk aan bod kwamen. Verklaarbaar is dat wel: dankzij de vooruitgang die ermee is geboekt, heeft wetenschap de plek van religie overgenomen. De wetenschappelijke benadering, het denken in termen van meten en weten, heeft brede ingang gevonden. Dat valt uiteraard toe te juichen, maar de vraag is wel of de aloude, existentiële vragen (waar komt de mens vandaan, waarom is hij hier en waar is hij naar op weg?) langs de wetenschappelijke route kunnen worden beantwoord. Kennen we dan niet meer gezag aan de wetenschap toe dan zij aan kan? ‘De moderne natuurwetenschapper moet wel zeggen dat het leven zinloos is, want in zijn optiek is leven een toevalstreffer, ontstaan door een reeks toevallige gebeurtenissen’, zegt Sarah Durston daarover. Voor haar is die gangbare, materialistische kijk te beperkt, omdat die ‘geen recht doet aan ons bewustzijn, dat tot een afgeleide van onze hersenfuncties wordt gereduceerd’, terwijl het een ‘essentieel onderdeel van onze werkelijkheid is’.

Kosmoloog Bodifee krijgt nogal eens het verwijt dat hij over de zin van het bestaan spreekt, terwijl hij als natuurwetenschapper toch zou moeten weten dat alles toeval is en dat het leven geen enkel doel dient. Op zich klopt dat, maar het is aan de mens het bestaan zin te geven, betoogt hij: ‘De werkelijkheid heeft geen zin in zich. Die zin is wat we eraan moeten toevoegen.’ Het is niet aan de natuurwetenschappen daar een uitspraak over te doen. Hij hekelt een collega-astrofysicus die opmerkte: ‘Naarmate we meer weten over het heelal, wordt het bestaan alleen maar zinlozer’. Die man ‘heeft verstand van fysica, niet van morele en existentiële vragen. Het is een groot probleem van deze tijd dat het geloof in de wetenschap veel te absoluut is. Het blijft een van de mooiste dingen die de mens heeft voortgebracht, maar we moeten wel haar begrenzingen blijven zien. We hebben haar op de plaats van religie gezet. Dat kan haar plek niet zijn.’

Voor enige bescheidenheid bij wetenschappers is ook reden – de geboekte vooruitgang maakt vaak duidelijk hoeveel we nog niet weten. ‘Iedere vraag die we oplossen, levert weer tien nieuwe vragen op’, zegt Bert Poolman. ‘Elke keer als we een stap verder komen, besef ik hoe weinig we eigenlijk nog weten. We doen continu experimenten, maar de antwoorden die we krijgen, zijn bijna altijd anders dan we van tevoren bedenken.’

Terwijl de beperkingen van wetenschap me in toenemende mate opvielen, begon ik religie hoger aan te slaan. Zeker zo lang ons doorgronden van het leven gebrekkig is, begrijp ik beter hoe wezenlijk geloven blijft, in de vorm van de oude stromingen of in moderne varianten. Religies bieden houvast, constateert Christien Brinkgreve: ‘Het blinde proces van de evolutie, waarin er geen schepper meer is, is voor veel mensen een onveilig idee. De mens heeft behoefte aan iets groters dan hijzelf dat ergens op is gericht. Het idee van chaos of willekeur is bedreigend.’

Die behoefte aan houvast herken ik als de brandstof voor mijn serie. Ik kan mij inmiddels goed vinden in de woorden van Ivan Wolffers, net als Brinkgreve behorend tot de generatie die religie op de mestvaalt van de geschiedenis dacht te kunnen dumpen. Gelovig is hij niet geworden, maar Wolffers is religie wel anders gaan waarderen: ‘Mensen verwachten nogal eens een harde, wetenschappelijke afwijzing van mij, maar ik kijk met respect en piëteit naar iedere poging van mensen de chaos te bedwingen.’ Dat dat respect wederzijds kan zijn, blijkt uit de woorden van hindoepriester Ashis Mathura: ‘Als jij helemaal niet in God gelooft, zal het leven je toch lessen leren. Dus wat ben jij anders aan het doen dan ik? Een atheïst maakt ook dingen mee, ook hij groeit. Hij heeft zijn eigen pad’.

Boven, vanaf links: Bregje Hofstede, Willemijn Dicke, Claartje Kruijff, Edy Korthals Altes. Onder, vanaf links: Funda Müjde, Bert Poolman, Jolande Withuis, Anna Akhmanova Beeld Jitske Schols

6. Het nut van de dood – zoeken naar de essentie

Koesteren we de illusie van eeuwig leven en plaatsen we ons met de rug naar onze sterfelijkheid, of horen we ons juist ‘vertrouwd te maken met de dood’ en ‘aan niets zo vaak te denken als aan haar’, zoals de Franse filosoof Montaigne in de zestiende eeuw aanraadde? Terwijl de dood in ieder gesprek dat ik voerde aan bod kwam, verwijderde ik me iedere dag weer wat verder van mijn ‘even-doodervaring’. Daarmee nam de mentale afstand tot mijn eigen sterfelijkheid geleidelijk weer toe. Ivan Wolffers duidt dat als een gangbaar proces, waarbij overlevingsdrang het wint van sterfelijkheidsbewustzijn: ‘De dood beschouwen we als iets voor anderen. Iedere dode in onze omgeving doet vreselijke pijn en op dat moment beseffen we: ‘Eens kom ik aan de beurt’. Maar al vrij snel schakelen we over op: ‘Ik voel me best goed, er is toch niks ernstigs met me aan de hand?’’. Zo werkt onze overlevingsdrang de illusie van eeuwig leven in de hand. In de ogen van Wolffers is daar niets mis mee. Ga uit van een onbegrensd leven, luidt zijn advies, dan kun je het ten volle ervaren: ‘Natuurlijk besef ik mijn eindigheid, maar ik druk de dood graag uit mijn bewustzijn.’

Die houding zou wel eens de dagelijkse praktijk van velen kunnen zijn, maar in deze serie staat Wolffers met dat standpunt vrij alleen – de benadering van Montaigne wordt breed gedeeld. ‘Zolang je de dood nog wegdrukt, omarm je het leven niet’, stelt Job Koelewijn. Aan de illusie van een eeuwig leven heeft hij een uitgesproken hekel. De begrenzing die de dood aan het leven oplegt, scherpt ons, maar dan moeten we ons daar wel rekenschap van geven: ‘Stel dat je een kunstenaar de beperking oplegt: je mag maar honderd kunstwerken in je leven maken. Reken maar dat hij dan de diepte in wordt gedwongen. Zo werkt het ook met de dood. Stel dat we allemaal zouden weten dat het op onze 70ste verjaardag is afgelopen, hoe zou ons leven er dan uitzien? Maar we leven hier in het Westen alsof we oneindig meegaan en wedoen alsof de dood er niet is.’

Die zorgeloze houding herken ik van de tijd voor mijn even-doodervaring. Filosoof Joke Hermsen verhield zich op vergelijkbare wijze tot onze eindigheid, al zocht zij het meer in bravoure: ‘Ik deed altijd schamper over de dood, in de trant van Epicurus: ‘Als wij er zijn, is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet’. Oftewel: waar hebben we het over?’ Haar houding veranderde door het overlijden van haar vader. ‘De dood wekt bij mij nu vooral een gevoel op van melancholie, weemoed, een erkenning van verlies en vergankelijkheid. De sterfelijkheid van onze ouders, vrienden, geliefden, uiteindelijk ook onze kinderen – dat is niet iets om stoer over te doen.’

Haar tegenwoordige kijk op de dood is verwant aan die van Koelewijn: ‘Om de melancholie van een hoopvolle gloed te voorzien, voel ik dat ik van alles moet doen, dus kom ik in beweging. Juist het besef van vergankelijkheid doet me realiseren: ‘Als ik er iets van wil maken, moet ik het nu doen’. Dus wil ik geïnspireerd en bezield bezig zijn.’ De dood als aanjager van het leven – Yfke Metz vat dat op haar manier bondig samen: ‘De dood zie ik als iets nuttigs. Het nut is dat je ’s ochtends opstaat.’ Christa Anbeek wil het leven ten volle ervaren, want ‘de dood duurt nog lang genoeg’.

De urgentie die onze eindigheid aan het bestaan geeft, het besef dat we er nu iets van moeten maken voordat het voorbij is, komt vele malen terug. Toch is een andere functie van de dood belangrijker voor me: als aanjager van dankbaarheid voor het bestaan. Dat gegeven is zo simpel dat we het nogal eens over het hoofd zien: het wonder van het leven zelf, waar we deel van mogen uitmaken – een gegeven dat al even onbevattelijk is als de dood zelf. De 95-jarige Edy Korthals Altes brengt het ter sprake door te wijzen op ‘het wonder van de geboorte van een kind’ door ‘het samenkomen van twee hele kleine deeltjes die na negen maanden tot een volwaardig mens uitgroeien’. Voor hem duidt dat op het bestaan van een goddelijke kracht.

Maar niet-gelovigen kunnen evenzeer een groot belang hechten aan dankbaarheid voor het bestaan, al hebben zij dan geen andere geadresseerde dan het bestaan zelf. Waar het in mijn ogen vooral op neerkomt, is de kunst die dankbaarheid daadwerkelijk te ervaren. Dat is nog niet zo eenvoudig, het vereist een bepaalde mate van bewustzijn die er maar af en toe is – Bregje Hofstede haalt de Britse schrijver Virginia Woolf aan, die stelde dat iedere dag meer ‘niet-zijn’ dan ‘zijn’ bevat: ‘Dat niet-zijn omschrijft ze als een soort bewusteloosheid, katoenpluis dat in haar hoofd zit’, vat Hofstede samen. Voor dankbaarheid is dat pluis de pest, daarvoor zijn momenten van ‘zijn’ onontbeerlijk.

Filosoof Tim Fransen ervoer dat tijdens ‘een van de meest intense theaterbelevenissen die ik ooit had’. Op het podium stond een digitale klok die de duur van de voorstelling wegtikte: ‘Ik realiseerde me: die tijd gaat niet alleen over de voorstelling, maar ook over mij. Deze anderhalf uur krijg ik op geen enkele andere manier meer terug.’ Het besef dat alles vergankelijk is en niets vanzelfsprekend, leidde bij hem ‘tot een gevoel van dankbaarheid en waardering’. Die vergankelijkheid vormt de kern van de eerder besproken kwetsbaarheid van ons bestaan, het is het gedeelde lot dat ons ‘broeders in de dood’ maakt. De hoop die Fransen daarbij uitspreekt en die ik van harte deel, is dat we in dat licht wat ‘meer compassie en solidariteit’ voor elkaar leren op te brengen.

7. Geen zin, wel betekenis?

‘Wat is de zin van ons leven?’, luidde mijn vaste beginvraag, meestal na zo’n half uur van inleidend gesprek. De tot dan toe vloeiende conversatie stokte vaak – even was er stilte, als bij de bergbeklimmer die de top in ogenschouw neemt. Het is ook iets om van onder de indruk te zijn: de vraag die de mensheid al duizenden jaren bezighoudt zonder uitzicht op consensus. ‘Wellicht de oudste filosofische vraag’, noemt Joke Hermsen het, waarvoor in alle culturen en religies een hoofdrol is weggelegd. Ga er maar aan staan.

Yfke Metz, permanent vergezeld door haar jeuk, aarzelde als een van de weinigen geen moment: ‘Ik denk daar niet over na. Ik vind mijn leven zo al moeilijk genoeg.’ Ook schrijver A.L. Snijders besteedde er het liefst geen woorden aan, zij het om een andere reden: ‘Mijn ideaal is dat het niet ter sprake komt, maar dat de zin van het leven geleefd wordt’. Die terughoudendheid er woorden aan te wijden, ervoer ook dichter Marjoleine de Vos. Als ‘misschien wel het beste antwoord’ bedacht ze: ‘Kom maar mee naar buiten, en kijk eens even om je heen. Je ziet dan het licht, die veelheid van kleuren, geuren, schitteringen, overgangen, de ruimte. Het gaat om die ervaring, die woordloos binnenkomt. Dat zijn heus niet momenten waarop ik denk: wat is de zin van het bestaan? Die voel je dan.’ Dat ervaren is ook voor Job Koelewijn de kern. Als een boemerang keerde zijn antwoord op mijn vaste vraag bij me terug: ‘Zolang je die stelt, heb je de zin niet begrepen.’ Om dan toe te lichten: ‘Voor mij is het: de vervoering van in leven zijn, zonder enige aanleiding. Dus zonder dat je iets bijzonders doet of je verliefd voelt. Als je bent aangeraakt door die vervoering, de energie die dat meebrengt, dan wordt ook afwassen leuk. Of een rood stoplicht – te gek!’

Sommigen vonden de vraag zinloos of niet deugen. Toeval is het ordenend principe van de evolutie, dus kan er geen bedoeling zijn, stelt Vincent Icke: ‘De vraag naar de zin van hét leven is wat mij betreft zinledig. Want dat is een samenspel van atomen en moleculen. Dus dan zou je ook kunnen vragen: wat is de zin van een atoom? Tsja, als je me het antwoord geeft, zou ik het niet eens herkennen. (…) Je moet je afvragen: blijkt ergens uit dat leven een bedoeling heeft? Ik denk eerder dat het tegenovergestelde het geval is. Darwin en Wallace hebben laten zien hoe belangrijk het toeval is, dus juist het ontbreken van een doelstelling. (…) De notie van zin als bedoeling wordt onderuitgehaald door de fundamentele rol die toeval speelt.’

Even spitsvondig legt Sanneke de Haan uit dat de vraag niet deugt, omdat ‘zin’ een ‘hoger doel’ suggereert. Zij hekelt de ‘oneindige regressie’ van ‘goed voor’-vragen: ‘Het gevaar ervan is dat er geen einde aan komt. Dat los je alleen op door te stellen dat iets een doel op zich is’. Dat geldt dus wat haar betreft voor het leven, want ‘dat heeft genoeg aan zichzelf’. Vragen naar een overkoepelende zin heeft in haar ogen ook iets hebberigs: ‘Alsof alles wat het leven biedt niet genoeg is, maar ook nog ergens goed voor moet zijn.’ Een betere vraag vindt ze: ‘Wat maakt het leven betekenisvol?’ Van betekenissen is ons leven ‘doordrenkt’. Helaas maakt dat het aantal antwoorden wel oneindig – ook een kopje gemberthee kan betekenis hebben.

Wel betekenis, met name in de eerder besproken ‘verbinding tot de ander’, maar geen hoger doel – op dat standpunt stelden zich velen. Het prikkelendst verwoordde Bregje Hofstede dat. Voor haar is het leven ‘een dunne draad over een complete leegte’. Wat ons te doen staat, is die draad aan zoveel mogelijk punten vastmaken om zo de betekenis van ons leven te vergroten, maar in dat web kan de dood zo maar een gat slaan. In essentie kenmerkt leven zich door ‘intrinsieke zinloosheid’, meent ze: ‘God zie ik als een trui die de mens voor zichzelf heeft gebreid, om te verhullen dat hij naakt is. Voor mij bewijst de behoefte aan een God vooral hoezeer de mens gedreven is zin in het leven te zoeken. Dat zie ik als een bewijs voor de intrinsieke zinloosheid.’ Het leven wil ‘zich alleen maar in gang houden, dat is wat cellen en soorten doen’.

Juist uit dat laatste gegeven destilleert celbioloog Anna Akhmanova dat het leven wel degelijk zin heeft. Haar antwoord is compact: ‘De zin van het leven is om het weer voort te zetten’. Die ‘overdracht van ons genenpakket aan de volgende generatie’ bleek nogal slecht te vallen bij kinderloze lezers van de krant. Maar bijval kreeg ze ook in ruime mate, met als ondertoon: fijn, dat is dus de zin van het leven, we kunnen over tot de orde van de dag. Voor mij is dat te kort door de bocht. Want het terugbrengen van het bestaan tot het biologische gaat voorbij aan de betekenis van veel levenservaringen – liefde is meer dan voortplanting, eten is meer dan voeding. ‘Het is alsof je zegt: de zin van muziek is de notenbalk. Die is zeker essentieel, maar ook een enorme reductie van wat muziek is’, zegt Christa Anbeek. ‘Ik vind niet dat je het leven tot het biologische moet platslaan’, stelt Sanneke de Haan. ‘Die drive zit in ieder van ons, zeker. Maar houden van je naasten is zoveel rijker dan genenoverdracht.’

Wie niet een biologische, maar spirituele poging doet een hoger doel voor het leven te formuleren, komt vaak uit bij bewustzijn – het is de groei ervan die het leven zin geeft. Zo gaat het volgens soefi Johan Witteveen erom ‘een bewustzijn van het goddelijke te ontwikkelen. Voortdurend ons bewust zijn dat we in die prachtige schepping verkeren en beseffen dat daarin een goddelijke geest werkt’. Edy Korthals Altes spreekt over ‘ons bewust worden van de fundamentele relatie met de oergrond van ons bestaan, de grondwet in ons leven. Dat is voor mij de liefde voor de mens en voor de natuur. Zelf noem ik die oergrond God’. Op die lijn zitten ook theatermaker Mounir Samuel (‘het volbrengen van onze goddelijke bestemming’) en medium Maria Riemen, die ‘in een hogere laag van bewustzijn terechtkomen’ als doel ziet. Boeddhistisch leraar Jan Geurtz ziet in contact komen met bewustzijn als een manier om met de kwetsbaarheid van het bestaan om te gaan. Een fijne relatie, mooie baan en leuk huis bieden geen echte veiligheid, want ‘er hoeft maar iets mis te gaan en je voelt je aan de grond zitten’. Contact met ‘wat niet doodgaat’, je bewustzijn, leert de onveiligheid waarderen: ‘Ontdekken dat dat is wat je werkelijk bent, een druppel in die oceaan van bewustzijn, zou je als de zin van het leven kunnen zien.’

Beeld Jitske Schols

Onder mijn gesprekspartners met religieuze functies komt bewustzijn ook sterk naar voren. Hindoepriester Ashis Mathura omschrijft mensen ‘als vonkjes van een groot, goddelijk vuur, waarbij ieder vonkje dezelfde kwaliteiten heeft als dat hele vuur. De kunst van het leven is te beseffen dat je die kwaliteiten hebt’. Broeder Bernardus, abt van een Brabants klooster, legt sterk de nadruk op het besef van vrijheid – het leven biedt de mens een ‘ruimte’. Zelf wil hij die benutten om ‘de eenheid met God te beleven’. Predikant Claartje Kruijff denkt dat het erom gaat te beseffen dat we van ‘een groter verbond’ deel uitmaken. Achter de zin gaan we nooit helemaal komen: ‘Er is een grotere bedoeling, maar we zijn te klein om die te doorgronden’. Dat is niet erg, integendeel: ‘Stel je voor dat we wel zouden weten wat de zin van het leven is? Het niet-weten is ook mooi, dan kun je leren.’

Bij dat laatste, het niet-weten van de agnost, voel ik me vooralsnog het meest thuis – mijn van thuis meegekregen atheïsme, de categorische verwerping van het goddelijke, is me al te dogmatisch geworden. Liever houd ik alle opties open, indachtig ons gebrekkige kennisniveau en enkele, weinig vleiende kwalificaties voor de mens als een ‘over het paard getild dier’ (vogelexpert Theunis Piersma) en ‘meest onbescheiden levende wezen op de planeet’ (biochemicus Bert Poolman). Een geloof in de goddelijke wereld kan ik niet delen, maar dankbaarheid voor het bestaan wel. Ook met de ‘grondwet’ van Korthals Altes heb ik geen moeite – het bestaan dat om de ‘liefde voor de mens en voor de natuur’ draait, al verbind ik dat, anders dan hij, niet met God.

Ondanks alle kritiek op de zinvraag blijf ik haar nuttig vinden, omdat ze helpt te bepalen wat essentieel is in het leven. Dat kan het houvast bieden waaraan de mens, in ieder geval deze mens, behoefte heeft. ‘Zingeving is iets wat wij de hele dag doen’, merkt Sarah Durston op. ‘We vinden van allerlei dingen wat, we leven ons leven met waarden en normen. (…) Zingeving is iets wat hoort bij mens zijn’. Of zoals hoogleraar Aziatische religies Paul van der Velde het formuleert: ‘Of er een zin is weet ik niet, maar ik weet wel dat we onze dagen zinzoekend en zingevend doorkomen. Het is voor ons onbegrijpelijk dat er geen zin zou zijn, we hebben een diepe behoefte erachter te komen.’ Even agnostisch is filosoof en begrafenisondernemer David Elders, die over de zinvraag opmerkt: ‘Echt niemand op aarde weet er het antwoord op. Sommigen mensen kunnen wel doen alsof en misschien weten ze er ook ietsje meer van, maar niemand weet het echt. Fundamentele zekerheid valt niet te geven’. Om eraan toe te voegen: ‘Het enige dat vaststaat, is dat je doodgaat. Dat is trouwens ook de reden dat de vraag naar de zin van het leven bestaat.’

Dat een eenduidig antwoord op die vraag ontbreekt, kunnen we betreuren, maar het biedt ook ruimte – het geeft ons de vrijheid zelf zin of betekenis aan ons bestaan toe te kennen. Geen enkel antwoord geldt als finaal. Het is een zoektocht zonder einde, maar daarmee nog niet nutteloos – hij helpt, in ieder geval mij, essentiële kwesties te onderscheiden en te doorgronden. Ik ga er dan ook graag mee door. Hoe ver ik inmiddels ben? Eerlijk gezegd heb ik het gevoel nog maar aan het begin te staan. Maar ik weet me gesteund door de visies en suggesties van velen – schakels in een slechts gedeeltelijk kenbaar, groter geheel.

Reageren? zinvanhetleven@volkskrant.nl

Precies een jaar geleden publiceerde Fokke Obbema ‘Vorig jaar was ik even dood’, waarin hij verhaalt over zijn hartstilstand en de nasleep ervan. Hij werd bedolven onder ongeveer duizend reacties – niet alleen van lotgenoten of hun nabestaanden, maar ook van andersoortige patiënten en van hulpverleners, zoals verpleegkundigen, ambulancemensen en cardiologen. Kort daarna begon hij met zijn wekelijkse interviewserie ‘De zin van het leven’. Een bundeling van die veertig interviews, aangevuld met bovenstaande epiloog en het oorspronkelijke verhaal, is deze week verschenen bij uitgeverij AtlasContact.

Obbema komt later dit jaar opnieuw met een wekelijks interview op maandag onder de titel: ‘Leerschool Leven’. Daarin gaat hij met zijn gesprekspartners na wat hun kijk op het leven is aan de hand van hun voornaamste levenslessen – hoe hebben ze die geleerd en slagen ze erin die ook in praktijk te brengen?

Vrijdagavond 27 september werd het boek van Fokke Obbema gepresenteerd in Amsterdam. Bekijk de avond terug via deze link of via de player hieronder.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden