ColumnMax Pam

Filosofen zijn erger dan schrijvers: in tijden van crisis heb je helemaal niets aan ze

‘Op een mooie ochtend van de maand mei reed een elegante amazone op een prachtige vos door de bloeiende lanen van het Bois de Boulogne.’

Wie deze zin onmiddellijk ­herkent, is geslaagd voor zijn literatuurexamen en kan zichzelf tevens beschouwen als iemand die de vinger aan de pols houdt van deze tijd. Het is de eerste zin uit de roman die ambtenaar Joseph Grand probeert te schrijven. Hij is er niet tevreden mee, verandert er steeds een woord in, zodat het maar niet opschiet. Joseph Grand is een van de personages uit De pest van Albert Camus.

De afgelopen week was De pest niet uit de media weg te slaan. In de roman van Camus hadden ­Peter R. de Vries en Jort Kelder een geduchte concurrent erbij. En dat gold niet alleen voor Nederland. Door corona leek het wel of De pest wereldwijd bij miljoenen lezers uit de boekenkast was gevallen. Ook bij mij thuis. Daar kwam hij ineens tevoorschijn, een reuzenpocket van de Bezige Bij uit 1963, in de vertaling van Willy Corsari. Weet iemand nog dat Willy Corsari een Nederlandse schrijfster was van enorme bestsellers?

Joseph Grand is natuurlijk Camus zelf, zoals de andere personages in het boek ook allemaal iets van Camus hebben: de dokter, de journalist, de jonge idealist en de delinquent, voor wie de epidemie eigenlijk een uitkomst is. De roman heet hoogst actueel te zijn, maar diversiteit kende Camus nog niet. Er komen in De pest geen vrouwen voor. Die ene vrouw waar wel eens aan wordt gerefereerd, zit niet in de besmette ­Algerijnse stad Oran, maar veilig in Parijs.

Bij de verfilming (The Plague uit 1992, met William Hurt), was dat een probleem, want een film zonder vrouwen is doorgaans geen film waar door mannen (en vrouwen) naar wordt gekeken. Vandaar dat Raymond Rambert – de journalist in het boek, ook Camus zelf – in de film is veranderd in een vrouw.

De absolute hoofdpersoon in De pest is dr. Rieux, een held die met gevaar voor eigen leven anderen helpt. Hij is de verborgen idealist, die zich op cynische wijze uit. Maar in filosofische zin is Grand natuurlijk de hoofdpersoon. Hij schrijft door aan zijn ene zin, terwijl de wereld om hem heen sterft. Als het tenslotte tot hem doordringt wat er gebeurt, is hij te moe om werkelijk de handen uit de mouwen te steken.

Er is bijna geen allegorie die niet aan Camus is toegeschreven. Sinds De pest hebben schrijvers en schrijvers in spe zich op literatuurfestivals en in masterclasses gebogen over de vraag waaraan een eerste zin in een roman moet voldoen. Niet onmiddellijk een bezigheid waarbij je denkt aan engagement. De Volkskrant is deze week begonnen aan een serie met schrijvers die, thuiszittend, een reis maken door hun eigen kamer. Paul Scheffer was in deze ­serie de eerste Joseph Grand van dienst. Er zullen nog andere ­Joseph Grands volgen.

Wie ik ook als een Grand beschouw, is Martha Nussbaum, die dinsdag in deze krant werd geïnterviewd. Terwijl de medische wetenschap op volle sterkte op zoek is naar een medicijn tegen het virus, terwijl artsen en verplegend personeel zich met gevaar voor eigen leven uitputten om het leven van anderen te redden, wijst zij erop ‘dat de mensheid onverminderd worstelt met liefde, angst en verlies’.

Dat deed ze vanuit een stoel van rood pluche in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Eigenlijk zijn filosofen nog erger dan schrijvers: in tijden van crisis heb je helemaal niets aan ze. Camus, die zowel filosoof was als schrijver, had dat goed in de gaten. De pest begint niet voor niets met een scène, waarin een van de personages een touw heeft opgehangen, waaraan hij zich ten slotte niet opknoopt. Net zoiets als die eerste zin die maar nooit afkomt.

Zelf ben ik natuurlijk ook een Joseph Grand. Ik heb er geen moeite mee thuis te zitten en geen bezoek te ontvangen. Er loopt vrijwel niemand meer langs mijn raam. Af en toe hoor ik het geluid van op straat spelende kinderen, die doen alsof er niets aan de hand is. Dat beurt me op, maar als ik er toch even uit moet om boodschappen te doen, denk ik aan de schrijver Willem Frederik Hermans, die een misantroop was en die bij de aanblik van andere mensen meteen dacht: ‘Hoe kom ik van ze af? Hoe kom ik in godsnaam zo snel mogelijk van ze af?’

Volgens Camus kun je de moderne mens in één zin beschrijven: ‘Hij bedreef ontucht en las kranten.’ Dat eerste is momenteel erg onverstandig. De krant is nog wel bezorgd, het leven wordt eentonig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden