Feiten heilig? Niet voor de politiek, die onderzoeksconclusies zo naar haar hand zet

Welkom in de post-empirische schijnwereld

Besluiten die worden genomen op grond van rammelend onderzoek of conclusies die worden aangepast aan de politieke wens, het is niks nieuws, stelt Jan Kuitenbrouwer.

Foto Rhonald Blommestijn

Zaterdag 2 september maakte ik een lange autorit. Ik zette de radio aan en luisterde naar Argos. Er waren twee onderwerpen: de politieke afbraak van het Geneesmiddelenbulletin en de tekortkomingen van het telefonisch afluistersysteem van de Nederlandse justitie. Het Geneesmiddelenbulletin (GeBu) geeft al veertig jaar lang onafhankelijke wetenschappelijke informatie over nieuwe en bestaande geneesmiddelen. GeBu wordt maandelijks meegestuurd met Medisch Contact, bereikt vrijwel alle Nederlandse medici en wordt door de beroepsgroep extreem goed gelezen en gewaardeerd. Soms tot irritatie van de farmaceutische industrie, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde off-label adhd-medicijnen, die gretig aftrek vinden, maar waar het GeBu onvermoeibaar kritisch over schrijft, omdat ze gevaarlijk kunnen zijn. Het ministerie van Volksgezondheid streeft naar een warme relatie met big pharma en probeert het Geneesmiddelenbulletin te muilkorven. Een van de wapens is een 'onderzoek' naar de waarde van het GeBu. Dat onderzoek pakte positief uit voor het blad, maar de conclusie werd krachtig herschreven door de ambtelijke top van VWS, zodat het toch à charge kon worden gebruikt.

Het was tijd voor het volgende onderwerp. En warempel, hetzelfde verhaal! Voor het afluisteren van telefoongesprekken maakt justitie gebruik van technologie van het Israëlische bedrijf Verint. En dat systeem faalt. Onder anderen strafrechtgeleerde Peter van Koppen sloeg alarm, want zulke fouten schaden de rechtsgang. Vervolgens kwam het ministerie met een 'onderzoek' dat het allemaal wel meevalt. Dat wil zeggen: het onderzoek zelf constateert inderdaad vrij ernstige gebreken, maar ambtenaren van Justitie hebben de samenvatting herschreven, zodat het lijkt alsof er niets aan de hand is. Eén willekeurige Argos-uitzending, twee onderwerpen, twee voorbeelden van gerommel met 'onderzoek'.

Mijn eerste kennismaking met dit fenomeen dateert van lang geleden.

Hans Wiegel was minister van Binnenlandse Zaken en wilde een zwaardere politiekogel invoeren, die aanzienlijk meer schade toebracht aan het menselijk lichaam, een zogeheten 'stopkogel'. Het ministerie verwees naar een onderzoek dat de extra letselschade 'aanvaardbaar' noemde. Ik was geïnteresseerd in het onderwerp, bestelde het rapport en las het. Er waren proeven gedaan met blokken gelatine en kadavers, en zaken opgemeten als 'scheurdiepte' en 'uitschotdiameter'. Als je iemand van 10 meter afstand met zo'n stopkogel beschoot, las ik, was de uitschotwond ongeveer vijftien keer zo groot als de inschotwond. Een gaatje van 1 centimeter versus een gat ter grootte van een theeschotel. Ik belde de voorzitter van de adviescommissie. 'Zijn het geen millimeters?', riep hij geschrokken. Zelfs hij had het rapport niet gelezen. Hij liet zich politiek souffleren door Wiegel en souffleerde op zijn beurt de pers en de Kamer.

In 2004 schreef ik een reeks verhalen over de Kijkwijzer. Een van de eerste besluiten die Hedy D'Ancona nam toen zij in 1989 minister van Cultuur werd, was de afschaffing van de Filmkeuring, die zij 'betuttelend' vond. Geheel in de geest van de tijd kwam er een systeem van 'zelfregulering': de Kijkwijzer. De audiovisuele industrie (film, televisie, games) mocht voortaan zelf bepalen wat voor hun producten de juiste minimumleeftijd was. Voortaan keurde de av-slager zijn eigen vlees. Nederland had (en heeft) daardoor de laagste leeftijdsclassificaties voor audiovisueel materiaal van de hele wereld, zoals ik ontdekte toen onze 7-jarige dochter na het zien van de musical Grease informeerde wat 'pijpen' eigenlijk was. Grease is in de meeste landen gekeurd voor 12 jaar en ouder, in Nederland voor alle leeftijden. Ook Stanley Kubricks Lolita lag met een AL-sticker in de videotheek. En, ook erg modern: wie bij Kijkwijzer een klacht indiende tegen zo'n onjuiste classificatie kreeg een rekening van 225 euro.

Toen de Tweede Kamer moest besluiten of het nieuwe systeem aan de verwachtingen voldeed, had iedereen rond dit dossier het ineens over twee 'positieve evaluatierapporten'. Ook na dagen bellen vond ik niet één decision maker die ze ook gelezen had. Het eerste rapport kwam van Intomart en bestond voor een groot deel uit onderzoek dat zij al eerder hadden gedaan in opdracht van de Kijkwijzer zelf en dat nu als onafhankelijk werd gepresenteerd. In het tweede rapport was ongeveer 30 procent van de cijfers onjuist, zodat het leek alsof Nederland met zijn classificaties internationaal in de pas liep. Na correctie bleek opnieuw dat adviesleeftijden nergens zo laag zijn als in Nederland. De politiek bleek grotendeels resistent tegen deze informatie. Er was immers een 'positieve evaluatie'? En was de Kijkwijzer niet ontwikkeld door wetenschappers? Het systeem werd geprolongeerd. Ziehier de kwaliteit van de informatie op basis waarvan in Den Haag besluiten worden genomen: rammelend onderzoek, dat niemand leest.

Er is nu de nodige ophef over de onthulling van een klokkenluider bij het wetenschappelijk bureau van het ministerie van Justitie en Veiligheid, het WODC, dat hun onderzoek politiek wordt gemanipuleerd. Bewindslieden hebben kennelijk steeds minder schroom om het bureau te gebruiken als afweergeschut in de permanente veldslag genaamd politiek. Voorstellen om proeven te houden met gelegaliseerde cannabisproductie werden jarenlang weggestemd op basis van WODC-onderzoek dat op die manier werd 'bijgestuurd'. Laat het maar aan juristen over om voor zo'n schimmige praktijk een deftig vocabulaire te ontwikkelen. Het mooiste eufemisme dat ik tegenkwam is 'contextualisering': het door de machine halen van conclusies en aanbevelingen, zodat zij sporen met de politieke agenda. Deze inmiddels gepensioneerde WODC-medewerker stelt dit gebruik nu aan de kaak, maar duizenden van haar collega's in het beleidsonderzoek accepteren het zwijgend. Het kan ze niet schelen, of het kan ze wel schelen, maar ze hebben een hypotheek.

Dit soort manipulatie is wijdverbreid, dat maakt de verontwaardiging over dit Nieuwsuur-verhaal een beetje schijnheilig. En het wordt vergemakkelijkt doordat politici en journalisten vaak te lui en/of te druk zijn om hun rapporten echt te lezen en zich verlaten op gecontextualiseerde samenvattingen. Of, in het ergste geval, de buzz. Hearsay.

'Er is een positieve evaluatie.'

Want: als het WODC onder politieke druk, in strijd met de feiten, beweert dat het legaliseren van cannabisteelt juridisch onmogelijk is, zijn 150 Nederlandse Kamerleden en dertien politieke partijen dan niet in staat om daar doorheen te prikken? Wordt er bijvoorbeeld wel eens een second opinion gevraagd? Rapporten van het WODC moeten uiteraard integer zijn, maar als niemand ze bestudeert, staat er ook weinig sanctie op manipulatie.

En de media? 'Een verslaggever die stukken leest en een onjuistheid aanwijst: het is een zeldzaamheid', verzuchtte een veteraan van de overheidscommunicatie onlangs in NRC. 'Journalisten mailen of appen hun vraag, je stuurt ze een antwoord - en dat is het. Doorvragen komt amper nog voor.' De animo bij de pers om rapporten te lezen is nooit overdonderend geweest, maar met een gestaag toenemende werkdruk wordt het er niet beter op.

Een gevaarlijke tendens, want: volledig in het belang van de politiek.

Terwijl de journalistiek moet woekeren met mankracht, hebben overheid en politiek de afgelopen decennia een steeds groter communicatieleger op de been gebracht. Gewetensvolle voorlichting oude stijl heeft plaatsgemaakt voor 'pr'. Waren overheidsvoorlichting en corporate communication ooit gescheiden werelden, inmiddels is het één vakgebied met transfers over en weer. De persvoorlichter van vandaag is de lobbyist van morgen en de 'perceptiemanager' van overmorgen.

'Het woord 'voorlichten' duidt op een dienende en helpende activiteit, waarbij het gaat om informatieverschaffing aan de burgers en de media. (...) Maar sinds eind jaren tachtig heeft de opvatting dat het bij overheidsvoorlichting ook nadrukkelijk gaat om de beïnvloeding van het publiek, steeds meer de overhand gekregen', staat te lezen in Gevaarlijk Spel, een studie over de relatie tussen journalistiek en communicatie-industrie (2011). 'Het gevolg is dat de overheid haar communicatie is gaan orkestreren en elementen uit de corporate communicatie heeft overgenomen.'

In zekere zin is die constatering alweer oud nieuws, de volgende grens wordt ook al overgestoken: die van pr naar marketing en reclame. Een voorbeeld is de campagne 'Nederland verandert en de zorg verandert mee', uit 2016, van het ministerie van VWS. In een reeks commercials, uitgezonden op televisie, wordt de indruk gewekt dat de veranderingen door de WMO - decentralisatie van zorgtaken naar de gemeenten - louter vreugde en geluk zullen brengen. Bijvoorbeeld voor 'mevrouw Pietermaai', die slecht ter been is en ondersteuning nodig heeft. Haar zoon 'Tyron' stelt haar gerust: zij krijgt straks onder het nieuwe regime alle zorg die zij nodig heeft, net als voorheen, maar dan van de gemeente.

Zou de voorlichting over zo'n wet zich twintig jaar geleden beperkt hebben tot optimistische algemeenheden en praktische wenken, hier wordt welbewust een fictie geschetst. De WMO is niet louter een decentralisatie, het is een ook grootscheepse heroverweging van zorgrechten, denk aan het fameuze 'keukentafelgesprek'. De slagzin alleen, 'Nederland verandert, de zorg verandert mee', suggereert dat de WMO een reactie was op veranderde behoeften in de samenleving, terwijl zij natuurlijk vooral een reactie is op politieke behoeften in Den Haag. 'De zorg verandert en Nederland verandert mee' zou een betere slagzin geweest zijn. Of, nog beter: 'De zorg verandert en Nederland zal wel mee moeten veranderen.'

Niet voor niets diende FNV Zorg & Welzijn bij de Reclame Code Commissie (RCC) een klacht in, die haar gegrond achtte. Maar dit ís geen reclame, verweerde het ministerie zich, dit is 'ideële voorlichting', daar moet de RCC zich niet mee bemoeien. Nee, zei de RCC, als de overheid zich niet beperkt tot feitelijke voorlichting en onbeschroomd reclame gaat maken, dan moeten die uitingen ook als reclame worden beoordeeld. 'Deze commercials schaden het vertrouwen dat de burger moet kunnen hebben in de juistheid en volledigheid van denkbeelden die de overheid verspreidt', luidde het vonnis, en het ministerie werd geadviseerd niet meer op deze manier te communiceren.

Een goedbedoeld advies, waarschijnlijk vergeefs. Politiek is nu eenmaal steeds meer een zaak van communicatie. De vorming van beelden. Of zoals Karl Rove, de legendarische spindoctor van George W. Bush, het formuleerde: 'het creëren van werkelijkheden'. Mensen die zich bezighouden met empirische analyse behoren in Roves visie tot de 'reality based community' - een tragisch achterhaalde klasse van mensen die nog in feiten en rationaliteit geloven. Rove kan het weten. Hij speelde een sleutelrol bij de fabricage van de casus belli voor de invasie van Irak - Saddam Hoesseins imaginaire massavernietigingswapens.

Dat is het WODC: de reality based community van het ministerie van Justitie en Veiligheid, en dat is wat dit gelekte memo documenteert: hoe het medeplichtig wordt gemaakt aan een post-empirische schijnwereld.

Toen Kellyanne Conway begin 2017 verklaarde dat Trumps bezoekersaantallen van zijn inauguratie 'alternative facts' waren, werd die term door de reality based community direct weggehoond als een orwelliaans eufemisme voor leugens. Dat is mogelijk, maar laten wij onszelf niet wijsmaken dat dit een populistische hebbelijkheid is en dat de 'feiten' van de oude politiek en hun respectabele onderzoeksorganen boven elke verdenking staan.

Een jaar of vier, vijf geleden, toen de term 'factfree politics' in zwang raakte, sprak ik erover met een Haagse politicus. Hij vond het een mallotige discussie. 'Mensen maken zich druk over factfree politics', zei hij, 'maar waar ik mij zorgen om maak, is dat er steeds minder policyfree facts zijn.' Profetische woorden.

Dertig jaar neoliberalisme heeft ook wat dat betreft zijn spoor getrokken. Het openbaar bestuur moest zich gaan bedienen van de methoden van de markteconomie. 'Beleid' werd een 'product' dat verkocht moet worden. Voorlichting werd reclame. Marketing.

En de wetenschap, dat is een man in een witte jas, met in zijn hand een tube tandpasta of een potje rimpelcrème. Nu met bromochlorofeen. Wetenschap, dat is de dokter in Dr. Oetker.

Verbetering: In een eerdere versie van dit artikel stond dat Hans Wiegel minister van Buitenlandse Zaken was, dit moet Binnenlandse Zaken zijn. Hedy D'Ancona werd staatssecretaris van Cultuur genoemd, maar was minister.

Meer over