column eva hoeke

Eva Hoeke zou Connie Palmen interviewen in een café. Dus wie komt daar binnen?

Ik ging Connie Palmen interviewen.

Eigenlijk zou mijn vriendin Carolien dat doen, maar die was ziek. Ze belde met een snotstem: ‘Kan jij het niet overnemen? We hebben afgesproken in café De Prins in Amsterdam. Half drie. Lukt dat?’

Ik dacht na. Eerder die dag was de Man in alle vroegte naar Utrecht vertrokken, waar hij te gast zou zijn in een radioprogramma. Toen hij na het douchen beneden kwam en eruit had gezien alsof hij moest afdansen, had ik wel even vreemd opgekeken. ‘Wat ga jíj doen?’, had ik met een blik op zijn gepommadeerde haar en bordeauxrood smokingjasje gevraagd. ‘Het is rádio, hoor.’ Hij: ‘Ik ga een boek promoten waar ik een jaar lang aan heb gewerkt. Weet jij waar de aspirines zijn?’ Ik keek hoe hij twee pillen opat, zonder water. ‘Er komen allemaal belangrijke mensen’, zei hij moeilijk kauwend. ‘Dan wil je er ook weleens vlot uitzien.’

Vlót.

Hij vertrok, rond half drie zou hij weer terug zijn, precies het moment dat ik met Connie in het café zou zitten. ‘Kan het een half uur later?’ vroeg ik Carolien, die nog steeds aan de telefoon hing.

‘Neenee’, zei Carolien, ineens beslist. ‘Connie Palmen gaat daarna naar Texel, ze moet de boot halen. Kan je moeder niet even oppassen?’

Vreemd – die stond op dat moment net tegen het raam te tikken met een bak violen.

En zo kwam het dat ik ’s middags om iets voor half drie aan de bar van café De Prins op Connie Palmen zat te wachten.

Maar Connie kwam niet.

In plaats daarvan stapte om klokslag half drie de Man naar binnen. Hij begon meteen te huilen, ontroerd door zijn eigen goeiigheid. ‘Komt Connie niet?’, vroeg ik nog.

Daarna vielen alle kwartjes tegelijk.

Een maand eerder had hij me midden in de nacht in sneuvelcafé De Schoof in Arnhem ten huwelijk gevraagd. Tenminste, dat zéí hij, de volgende ochtend wist ik er niks meer van. Ja, ik had hem op een zeker moment wel mompelend op de grond zien zitten tijdens een gevoelig lied over een zigeuner, maar dat telde niet, vond ik, hij moest er wel wat van máken.

Ik keek hem aan. Een schuine baan zonlicht viel op zijn gezicht. Nu dus.

Vijf minuten later fietsten we op een huurfiets naar een hotel op de gracht met balkenplafonds en personeel met witte handschoenen. ‘De ­Romanovs hebben hier nog geslapen,’ zei de Man bij het knapperend haardvuur in de ­bibliotheek, toen ik dat later tegen iemand ­vertelde bleek het een geintje te zijn geweest.

Volgende stop was het Rijksmuseum.

De Man ging me voor, in eigen gedachten.

En toen, in een alkoof van de eregalerij, tussen Rivierlandschap met een veerboot van Salomon van Ruysdael en Het dronken paar van Jan Steen, maakte hij ineens een doosje open. ‘Moet ik op mijn knieën?’ vroeg hij, hulpeloos ineens, einzelgänger tussen 10 miljoen mensen. Ik schudde mijn hoofd.

‘Was het magistraal?’, zou Carolien later vragen.

’s Nachts, tussen roomwitte kussens en lakens van Egyptisch katoen, dacht ik daar lang over na. Magistraal, wat is magistraal? Magistraal vond ik het moment daarna, toen de spanning eraf was, wij op een bankje zaten, en hij met een Brabants stemmetje een boze burger nadeed. Magistraal vond ik het piepkleine restaurant in de Weteringstraat waar we ’s avonds witte rioja dronken en een vleugje lavas me terugbracht naar de tuin uit mijn jeugd. Magistraal was het hier, nu, in de donkere nacht, hij in slaap en ik ernaast, in de kalme overtuiging dat we dit leven samen aankonden, vandaag, morgen en alle dagen daarna, met een traan hier en een slaande deur daar, ongetwijfeld, maar thick as thieves, altijd, tot de dood ons scheidt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden