Opinie Europees leger

Europese defensie is bittere noodzaak

Is Europa bereid zich te onderwerpen aan de grootmachten of heeft het nog de wil om dat af te wenden? Frank Ankersmit bepleit dat laatste.

Leden van de Luchtmobiele Brigade geven een demonstratie tijdens de viering van het 20-jarig jubileum. Beeld ANP

De column van 4 maart van Dirk-Jan van Baar is een samenraapsel van op zich zelf staande overwegingen bijeen gehouden door weinig meer dan dat zij allen betrekking hebben op Europa’s veiligheid.

Ik beperk me tot twee van Van Baars constateringen. De eerste is deze: ‘de EU is een statengemeenschap, en die kan geopolitiek niet op eigen benen staan.’ De suggestie is dat hier een causaal verband zou liggen. Maar dat verband bestaat niet. De Nederlandse Republiek was ook een statengemeenschap en kon heel goed op eigen benen staan. Hetzelfde geldt voor een federale staat als de VS. En de neutraliteitspolitiek van Zwitserland heeft niets van doen met het federaal karakter ervan. Bovendien heeft men daar zijn defensie beter op orde dan menige EU-lidstaat.

Van Baars tweede constatering is dat ‘de EU natuurlijk na moet denken over haar rol in de wereld, maar die wordt niet beter met vage ambities richting Europese defensie’. Nee, dat haal je de koekoek: niet met vage ambities. Maar wat wel helpt zijn concrete plannen en, bovenal, het inzicht en de erkenning dat die bittere noodzaak zijn en geen uitstel kunnen velen. Kennelijk gaat Van Baar ervan uit dat als de EU over deze zaak gaat nadenken het sowieso nooit verder kan komen dan tot ‘vage ambities’.

Zo was het ook in het interview met Barbara Kunz dat op 20 februari in de Volkskrant stond. Die hoonde ook al het idee van een ‘Europese strategische autonomie’: ‘over vijftig jaar is het misschien mogelijk. Kan dat in vijf jaar? Absoluut niet, omdat je de technologie niet hebt, de politieke structuren, de strategische cultuur, alles ontbreekt’.

Stel dat onze voorouders in 1579 ook gezegd zouden hebben: ‘een opstand tegen Spanje? Absoluut onmogelijk, de politieke structuren, de strategische cultuur, alles ontbreekt’. Of in het Engeland van 1939? En, ja, in beide gevallen was dat zo. Maar zij legden zich daar geenszins bij neer en zorgden ervoor dat die politieke structuren en strategische cultuur er als de bliksem wel kwamen.

Zij wisten dat de geschiedenis niet zo aardig is om braaf te blijven wachten tot je klaar bent voor wat zij voor jou in petto heeft. Zo was het in 1568 en in 1939, en zo is het nu weer. We kunnen ons nu niet permitteren om eerst, samen met Kunz, een halve eeuw achterover te leunen en dan nog eens te bezien wat wel en niet mogelijk blijkt. De geschiedenis heeft ons dan allang ingehaald.

Wat bij Van Baar en Kunz zozeer ontbreekt, is een gevoel van urgentie en een gemis aan besef van hoe snel in de geschiedenis een onomkeerbare omslag zich soms voltrekken kan. Denk aan die befaamde tekening waarin je zowel een konijn als een eend kunt zien. Zie je er eerst een konijn en dan een eend in, of omgekeerd, dan verandert er aan die tekening in het geheel niets. Maar de betekenis ervan is wel geheel verschillend.

Zo is het met de situatie waarin Europa zich nu bevindt. Die is, inderdaad, op het eerste gezicht niet veel anders dan een paar jaar terug. En toch voelen sommigen aan hun water, zoals de Rutte van de Churchill-lezing van een paar weken terug in Zürich en de Macron van zijn adres aan de burgers van Europa (O&D, 5 maart), dat wat wij de komende jaren wel of niet doen beslissend zal zijn voor de toekomst van Europa.

Renaissance-Italië

Dat het soms zo snel kan gaan als met dat konijn en die eend, leert de geschiedenis. We zijn allen bekend met het miraculeuze wonder van het Renaissance-Italië van de 15de eeuw. Dat was bovenal mogelijk doordat de rest van Europa Italië ongemoeid liet.

De lezers van de Volkskrant die Van Vleutens prachtige tv-serie over Leonardo zagen, weten dat Milaan aan het einde van die eeuw geregeerd werd door Ludovico Sforza. Omdat zijn macht aldaar door de koning van Napels werd bestreden, riep hij de hulp in van Karel VIII van Frankrijk. Een rampzalige zet. Een historicus uit die tijd, Guicciardini, omschreef de consequenties als volgt: ‘Op 9 september 1494 betrad Karel VIII Asti; hij bracht met zich de zaden van ontelbare rampen, verschrikkelijke gebeurtenissen en verandering in vrijwel alles, de omverwerping van koninkrijken, de plundering van het platteland, de verwoesting van de steden, nieuwe gewoonten, nieuwe soorten van oorlogsvoering en onbekende ziekten.’

Het was het einde van het Italiaanse wonder. Vanaf toen tot de eenwording van Italië bijna vier eeuwen later werd Italië geregeerd vanuit Wenen, Parijs en Madrid. Wat de Italianen zelf wilden, was geheel en al irrelevant: zij waren volstrekt machteloos tegenover de nieuwe grootmachten die aan het einde van de 15de en de 16de eeuw in Europa de dienst uitmaakten.

Welnu, wil Europa het Italië worden van deze tijd, is het bereid zich te onderwerpen aan de grootmachten van deze tijd – de VS, China en Rusland – of is het nog in staat om zijn eigen ‘9de september 1494’ althans te bevroeden en heeft het nog het zelfvertrouwen, de veerkracht en vooral de wil om die omineuze datum af te wenden? Dat is de vraag waar we nu niet meer omheen kunnen.

Frank Ankersmit is emeritus hoogleraar geschiedenis in Groningen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden