Er zijn van die dagen dat je Giro-organisator Vegni wel kunt kussen omdat hij zo’n prachtige etappe heeft uitgetekend

Column Peter Winnen

Er zijn van die dagen dat alles klopt. Je hangt voor een televisiescherm domweg gelukkig te wezen. Je kunt Giro-organisator Vegni wel kussen omdat hij zo’n prachtige etappe heeft uitgetekend. Je bent in staat de regisseurs en vooral de cameramensen van de RAI te trakteren op bladen bier omdat ze beelden leveren die niet zouden misstaan in een natuurdocumentaire op Arte. Het enige dat onvervuld blijft is een verlangen naar een nog grotere flatscreen, maar dat is het dan ook.

Ik heb het over de etappe van afgelopen zondag, naar Gran Sasso d’Italia. Gran Sasso, de grote steen. Ikzelf was er nooit, niet als renner, en niet als vakantieganger. Maar ik weet zeker dat ik er in de laatste hoedanigheid zal zijn geweest voordat ik sterf.

Lange etappe, behoorlijk geaccidenteerd, venijn in de staart. Traditioneel vroege vlucht die traditioneel ten dode is opgeschreven. De vluchtgroep valt uit elkaar. Niemand vertrouwt de ander op de ongelooflijk lange stijging naar de finish. Beelden vanuit de helikopter: sportieve kaalslag in desolate landschappelijkheid. Het drama voltrekt zich in voorhistorische traagheid. Als een renner landschap wordt ben ik verkocht.

Tijd zat om via de telefoonbrowser meer te weten te komen over Gran Sasso. Paus Johannes Paulus II kwam hier in het geheim skiën, lees ik. Na diens dood schonk kardinaal Stanislaw Dziwisz een beetje van de paus z’n bloed aan de lokale gemeenschap om te bekrachtigen hoezeer deze van het bergachtige gebied had gehouden.

Ik kan niet meteen terugvinden in wat voor verpakking het bloed werd overhandigd. Was het in een gouden schaaltje of gewoon in een glazen buisje? In elk geval, de Poolse godzoeker was op Gran Sasso.

Eén vluchter blijft over, malend als een dier. Een laag en haast artistiek camerashot: op de voorgrond twee kuiten, in de verre hoogte daarachter de steen waar het naar toe moet. In mijn hoofd begint een virtuele speler aan het voortreffelijke wielerliedje De Rode Vod van Alex Roeka. Een knecht besluit voor eigen kans te gaan omdat zijn lief hem ertoe heeft aangezet. Roeka laat in het midden of de vermetele als eerste de top van de steen bereikt, maar hij laat hem uitroepen ‘daarginder, daarboven woont God’.

De vluchter van de RAI bereikt niet als eerste de top van Gran Sasso. Het is de met overschot koersende Simon Yates in zijn roze truitje die domweg vergeet alle grauw uitgeslagen klassementsrijders een nog veel goddelijker oor aan te naaien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.