ColumnPeter Buwalda

Er zat een langwerpig gat in de ruit, en een ster. Van de visite geen spoor

Mondkapjes voor, gordijnen dicht, lezen. We hebben zo’n spannend leven. Dat wordt nog omschakelen, als we naar Huize Nachtkaars moeten. (Daar hebben ze namelijk een biljart.)

Geritsel van bladzijden. Inleidende kuchjes. Net voordat de juiste regel gevonden was een oorverdovende knal, echt bezopen hard, gevolgd door glas, niet brekend, maar ruisend, zoals uit de muur in Ruisend gruis, Willem Frederik Hermans’ laatste, postuum verschenen roman, waarover de kritiek niet erg...

Gaat het niet over, nu.

Jet, lenig, snel, kwiek, alert, scherp, soepel, geolied, getraind, dook plat op de grond.

‘Ze schieten’, fluisterde ze.

Ik, oud, drapeerde mijn leeslint tussen de pagina’s en kwam zuchtend uit mijn leesstoel. Met een Bill Clifford-frons staarde ik naar de gordijnen, pantoffels iets gespreid, belletrieke peignoir losjes bijeen gesnoerd met mijn zwarte band judo uit 1987. Niets aan mij is wat het lijkt, vrienden, ik verkeerde in ontspannen gevechtshouding.

Stilte.

Kwam er nog wat?

Nee, vooralsnog niet. Resteerde de vraag of aan gene zijde, op straat dus, ook iemand stond te wachten. Nieuwe buren? Toegegeven, de bel was stuk, maar aankloppen wilde ik het niet meer noemen.

(Leuk burenverhaal, een vriendin van Jet vertelde dat ze met haar ouders ergens heen verhuisde, en al snel werden ze ’s nachts wakker van de zoeklichten en een helikopter, bleken ze naast Cor van Hout te wonen. Ik keihard lachen, ja, dat vond ik een goeie – maar onze vriendin niet. Hee, zei ze, hallo, als je in de tuin zat kon je Willem Holleeder horen barbecueën, hoor. O ja, nee, toch niet heel leuk, nee. Maar, probeerde ik haar twintig jaar na dato gerust te stellen, er lag vast ook een groentespiesje te sissen voor Peter R. de Vries, en daar kon je Holleeder gevoeglijk tegen wegstrepen, qua veiligheid. Geen paniek dus, wilde ik maar zeggen.)

Eerst maar eens naar boven, hangend uit het slaapkamerraam een kijkje nemen. Er zat een langwerpig gat in de ruit, en een ster. Van de visite geen spoor, wel ontwaarden we op het terras een flesje. ‘Misschien een molotovcocktailtje’, zei ik.

Ik probeerde na te gaan of ik vijanden had gemaakt, bijvoorbeeld met mijn stukjes.

Messi?

Mart Smeets?

Nee, het leek me eerder een vergisruit. Misschien dachten ze dat we Max Pam waren. Of Van Roosmalen, zoiets.

Toch maar even de wouten gebeld. Tot ze er waren, gingen we lezen – je wilt toch je taks halen, trauma of niet. Echt lekker erin kwam ik niet meer. Relaxed werd je er niet van, een fles die ze met apenkracht tegen je ruit hadden gesmeten.

De wouten begonnen niet te lachen, gelukkig. Het bleek een parfumflesje, vrijwel leeg. Zonder een spier te vertrekken, stopten ze het bewijsstuk in een cellofaantje. Ze gingen er evenwel niet op ‘investeren’. Ik: ‘Daarvoor moet eerst de complete pui eruit?’ Diender: ‘Dat zou zeker schelen.’

Hadden wij weer, een aanslag met een geurtje. Ik hoorde me het verhaal al aan de jaarclub vertellen, er heeft iemand parfum tegen ons huis gegooid – dat ging het echte trauma worden, het voortdurende ‘en Buwalda, ruikt je huis nog lekker’, etc, etc.

Jet googelde het ding, het bleek een luchtje voor mannen en vrouwen. Ook dat nog. Verward gingen we slapen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden