Column Eva Hoeke

En toen ging mijn vader dood. Dieptepunt: ik ben er nog en hij niet meer

Er zijn momenten die je leven dus­danig markeren, dat er een vóór en een ná ontstaat.

Een bestaan met een knip, een kloof, een krater zelfs. Ik dacht daaraan, toen ik een mail kreeg van de chef van dit magazine: of we een stukje konden schrijven over de persoon die we waren in 1999, ten tijde van de oprichting van het Volkskrant Magazine? Fotootje erbij, hartstikke leuk? Ik zei maar meteen dat het magazine me destijds volledig was ontgaan.

In 1999 was ik 20, en had de eerste helft van mijn leven zich min of meer ­gewoon voltrokken. Ik deed wat ik moest doen, ging naar school, had vriendinnen, werd verliefd, brak een hart, verdiende wat grijpstuivers achter tappen en kassa’s, wond me op over mijn spiegelbeeld, ging naar Utrecht om journalistiek te studeren, sliep uit, verspilde tijd, at chips, waande me veilig, las De verborgen geschiedenis van Donna Tartt, stond uren te wachten op vertraagde treinen, leefde voor Labello, beschouwde nepmerkkleding nog niet als een verschutting, ontdekte Hazes en Paolo Conte dankzij een corpulente Jordanees met guitige ogen en een rotsvaste ­mening, deed een cursus, droeg vriendschapsbandjes, zocht bevestiging, danste op het Griekse eiland Chersonissos rood­verbrand en met een klotsende buik van de wodka-redbull op Lou Bega’s Mambo No. 5, en wanneer het normale leven weer begon droeg ik de consequenties van mijn keuzen, als iedere 20-jarige provinciaal in mijn omgeving, als een schaap op transport, vriendelijk, mak en in feite volkomen onbewust.

Eva Hoeke in 1999.

En toen ging mijn vader dood.

Eerst was hij ziek en drie maanden later overleed hij, het was zo gebeurd.

Twintig jaar later flitsen de details nog steeds door mijn hoofd.

Ik, in paniek in een bloedhete Griekse telefooncel, mijn vriendin die naar een zakdoek zocht, mijn vader stilletjes aan de andere kant van de lijn. Hoe ik hem thuis van de weeromstuit negeerde, ik begreep zelf niet waarom. Het geluid van de achterdeur op zaterdag 6 november 1999, het teken dat wij nu echt naar beneden moesten, en de huisarts naar boven. Een half uur later, wij met z’n drieën voor het raam, vlak bij zijn piano, én maar ­kijken, naar boven, naar een teken, naar iets.

Het kwam niet.

Later zouden vrienden vragen: weet je nog van toen, weet nog je die ene keer? Maar ik wist niks meer. Na 6 november 1999 stond alles stil. Mijn studiepret, mijn zin in de toekomst, mijn plannen voor later.

Ik stond op en ging naar bed en tussendoor ging al mijn energie zitten in het somberen. En somber trekt somber aan: de vrolijke ­Jordanees werd ingeruild voor een Nieuw-Zeelander met weltschmerz, Hazes voor Bowie, Labello voor lipliner, drank voor drugs. Dieptepunt: ik ben er nog, hij niet meer.

Nu is het aardige van het leven dat het vaak gewoon doordendert, ook als je daar zelf geen zin in hebt. En nu, twintig jaar en nog meer knippen, kloven en kraters verder, kijk ik naar wie ik was in 1999 en voelt het als een leven dat al bijna niet meer het mijne is, alsof niet ik, maar een ander daar staat, iemand in die rommelige fase tussen kind en volwassene, een puber op een ­volwassen toneel. En terwijl ik dat vage en ­volkomen zinloze gevoel van spijt niet al te groot probeer te maken, lukt het me steeds vaker aan de goede tijden met mijn geweldige vader te denken, en hoe hij nog altijd in mijn leven aanwezig is, ook al bestaat die aanwezigheid uit een schrijnende afwezigheid. 

Wel fijn trouwens dat hij die lipliner nooit heeft meegemaakt, godallemachtig zeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden