ColumnJasper van Kuijk

En plotseling denk ik: wat als we blijven? Nee, zeg ik tegen mezelf, gaat niet gebeuren

Blijven jullie niet gewoon daar? Al voor we naar Zweden vertrekken is dat de vraag die ons het meest gesteld wordt. En die klinkt alleen maar luider als ik na aankomst nét iets te Kinderen-van-Bolderburen-achtige foto’s online gooi. We lachen de vraag weg: ‘Nee, het is écht maar voor een jaar.’ Dan zal Ems weer aan het werk gaan, en stop ik als gastonderzoeker bij de Zweedse universiteit en ga ik weer aan de slag in Delft. En toeren met een nieuw cabaretprogramma. Dit is geen emigratie, dit is even een jaar een ander leven.

Drie maanden. Ik rij, nadat ik Vier naar de voorschool heb gebracht, terug naar huis, over een zonovergoten weg langs het meer, tussen knalrode en -gele herfstbomen door. En plotseling denk ik: wat als we blijven? Nee, zeg ik tegen mezelf, gaat niet gebeuren. Maar ik bedenk ook dat ik die deur niet een heel jaar kan blijven dichtduwen. We moeten het onszelf in ieder geval toestaan om erover na te denken. Wanneer we dan teruggaan naar Nederland weten we tenminste ook waarom.

Zes maanden. Tot nu toe zijn we vooral bezig geweest met vol in ons nieuwe leven duiken, maar vanaf Kerst komen er af en toe signalen van over de horizon, van onze toekomst in Nederland. Ik moet een titel, foto en brochuretekst aanleveren voor mijn nieuwe voorstelling en begin voorzichtig lijnen uit te zetten en te schrijven. Vier vraagt voor het slapengaan regelmatig wanneer hij weer naar opa en oma kan. En naar de dierentuin. Tijdens het avondeten bespreken we met de jongens wat ze leuker vinden in Zweden en wat in Nederland. Zes doet niet mee en bromt: ‘Ik wil terug naar Nederland hoor, daar snap ik alles beter.’

Negen maanden. Onze terugkeer naar Nederland wordt steeds concreter. We moeten onze huurders in Nederland formeel laten weten dat we inderdaad het huurcontract beëindigen en terugkomen. Een mailtje van de directeur van onze Zweedse school: ‘Hoewel ik graag zou zien dat jullie blijven, moet ik je er wel aan herinneren dat, als jullie inderdaad teruggaan, je de jongens moet uitschrijven.’ Ook onze Zweedse buren en kennissen vragen steeds vaker of we echt weer weggaan. De jongens spreken intussen alle drie probleemloos Zweeds, soms ook onderling en met ons. En dan zegt Zes ineens, als hij na de lunch van tafel loopt, tegen zijn oudere broer: ‘Ik zou hier wel altijd willen wonen.’

Die komt binnen. ’s Avonds gaan Ems en ik aan de keukentafel de voor- en nadelen langs. We houden van de leefstijl, de eenvoud, de rust, de cultuur en de vriendelijkheid van de mensen. En we hebben nog nooit zo mooi gewoond, zo ongelooflijk weids en natuurlijk als het landschap hier is. We voelen ons thuis. Maar voor altijd weg te zijn van onze Nederlandse familie en vrienden trekt ons allerminst. En hier echt een heel nieuw leven opbouwen – zou Dagens Nyheter nog een gemankeerd Zweeds schrijvende columnist zoeken? – en voortaan immigrant zijn, da’s een ander verhaal dan een jaartje meedraaien. De afgelopen negen maanden bleken we voor Nederlanders nog best wel Zweeds, maar blijf voor altijd en je bent al snel voor een Zweed nog heel Nederlands.

We horen thuis in Nederland, concluderen we.

Dan krijgt Ems een berichtje van een juf van Vier. We hadden haar laten weten wanneer zijn laatste dag op de voorschool is. Ze antwoordt: ‘Die dag ben ik jarig. Dat wordt een verdrietige verjaardag. Ik ga hem zó missen.’

Plotseling sta ik te huilen. Ems pakt me vast. Na een tijdje veeg ik mijn ogen droog en zeg: ‘Goed, waar dat nou plotseling weer vandaan kwam?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden