Column Nico Dijkshoorn

Elektrische steppers bemoeien zich met mijn jeugd. Ze herschikken de tijd

Wat ik graag mag doen: met een damesfiets langs de weg staan, wachten tot er een man voorbijrijdt op een elektrische step, ernaast gaan fietsen en dan alleen maar naar zijn helmpje kijken. Niets zeggen. Fietsen en kijken. Ik heb gemerkt dat elektrische steppers daar zenuwachtig van worden.

Soms kan het een paar honderd meter duren, maar uiteindelijk gaan ze tegen je praten. Negen van de tien keer vragen ze: ‘Is er iets?’ Ik kijk dan nog een seconde of tien naar dat helmpje en zeg ‘ja’. Vervolgens kijk ik naar hun stuurtje. Soms dragen elektrische steppers speciale leren handschoenen, zodat ze geen blaren krijgen van het sturen.

In de stad volgt dan onvermijdelijk een stoplicht. Daar staan ze, met hun kniebeschermers, speciale stepschoentjes, aerodynamische elektrischestepkleding en een heel klein binnenbandje om hun nek en vlak naast ze staat een psychopaat met een damesfiets.

Meestal vraag ik dan hoe hard de step gaat. Het maakt me niet zoveel uit wat ze antwoorden, omdat ik daarna altijd hetzelfde zeg: ‘Jeetje, zo hard, nu begrijp ik waarom je een helm op hebt.’ Daarna slaan ze snel linksaf als ze zien dat ik rechtdoor rijd.

Ik snap wel waar die agressie vandaan komt. Als er nu één vervoersmiddel specifiek voor kinderen is, dan is het de step. Ik reed jarenlang op een step, omdat ik te bang was voor een fiets. Mijn rechterbeen – mijn stepbeen – was twee keer zo dik als mijn linkerbeen.

Ik deed alles op mijn step. Ik vond het heerlijk om hem voor de groentewinkel te parkeren als ik een kilo uien moest kopen voor mijn moeder. Ik was een economische stepper. Veel kinderen steppen heel woest, maar ik liet de step het werk doen. Dat is later een rode draad geworden in mijn leven, anderen het werk laten doen.

Ik zette mijn voet het liefst zo weinig mogelijk op de grond, omdat het dan opeens veel minder op fietsen leek. Het voelde als een nederlaag, je been gebruiken om vooruit te komen. Ik vreesde ook mijn moeder, die ik ooit vier uur lang doodstil op een bed had zien liggen, nadat ik thuis was gekomen met een kapotgeschuurde neus van mijn nieuwe rechterschoen. Ik stond naast het bed, keek naar de wekker en om het kwartier zei ik: ‘Ik moest remmen voor een hond.’

Het ging zo: ik reed op mijn step van een viaduct, ik zwierde, zwaaide naar voorbijgangers, de wind waaide door het haar dat ik later zou verliezen, ik had een heel leuke broek aan, boog af naar rechts, ik ging een beetje met mijn step in de bocht hangen, ik reed langs de flat waar Christa woonde en keek naar haar balkon op de zesde verdieping. Snel keek ik weer voor me.

Er stond een vleeskleurige hond midden op de weg, met oortjes en al, en in een reflex remde ik met de neus van mijn schoen. Al tijdens het remmen hoorde ik mijn moeder: ‘Ja, waarom niet, mamma werkt gewoon wel weer een week in de stomerij, want Nico moet steppen.’

Zo zit het, denk ik. Elektrische steppers bemoeien zich met mijn jeugd. Ze herschikken de tijd. Dat hoort niet. De step moet altijd van Nicootje blijven. Die hond heeft trouwens nog vier jaar geleefd. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden