Opinie

Eindexamen om je diep voor te schamen

De opstellers van het eindexamen Nederlands lijden aan een minderwaardigheidscomplex. Zij verdienen hulp - en de leerling een betere toets.

Tijdens het eindexamen Nederland wordt gevraagd naar het 'verband' tussen alinea's en de 'functie' van alinea's. Foto anp

Ze staan weer voor de deur, de eindexamens, en als ik weleens spijt heb dat ik leraar Nederlands ben geworden, dan nu, in deze periode. Waarom? Omdat ik me als leraar medeverantwoordelijk voel voor het Centraal Schriftelijk Examen. Dat examen is een ramp. Ik schaam me er zelfs voor, tegenover mijn leerlingen.

Voor het gemak beperk ik mezelf hier tot het eindexamen vwo. Ik voorspel: er is niemand, geen eerstegraads docent Nederlands en zeker geen leerling, die daar een tien of zelfs een negen voor zal halen, iets dat bij andere vakken toch niet abnormaal is. Ik denk dat veel docenten het niet eens dúrven maken. Want wat als je er maar een zes voor haalt, of een vijf? Kun je dan wel voor de klas blijven staan?

Niet de eerste de beste

Ik ben al blij als ik er een acht voor haal. En ik ben, al zeg ik het zelf, toch niet de eerste de beste. Ik heb vijfendertig jaar meer leeservaring dan mijn leerlingen. Bovendien heb ik zelf het soort teksten geschreven dat in die eindexamens belandt. Ik mag mezelf noemen: Iemand Die Een Tekst Kan Lezen. Die er zelfs een kan schrijven. Dan zou ik toch in staat moeten zijn 'de structuur van de tekst' te 'doorzien'.

Want dáár, helaas, is de nadruk op komen te liggen in die eindexamens: hoe een tekst in elkaar zit. Er wordt gevraagd naar het 'verband' tussen alinea's en de 'functie' van alinea's. Ik heb niks tegen een vraag over de structuur van een tekst, enig inzicht daarin kan geen kwaad. Maar, zoals bij alles, gaat het om de mate waarin. Vragen naar de structuur van de tekst, of wat men daarvoor aanziet, zijn ontaard in zulke verwarrende haarkloverij dat ze een beter begrip van de tekst zelfs in de weg kunnen staan.

Stel de auteur geeft in een bepaalde alinea een paar voorbeelden. Er wordt gevraagd naar de functie van die alinea. Men zou denken, antwoord B, 'voorbeelden'. Maar het correctiemodel geeft C als antwoord, 'toelichting'. Omdat die voorbeelden zouden dienen als toelichting. Maar als we zo gaan redeneren, zou D ook correct kunnen zijn, 'uitwerking': de voorbeelden dienen als uitwerking van wat in de vorige alinea werd gesteld.

Wroeging

Ik zie nu al op tegen de discussies binnen de sectie, en tegen de wroeging die ik tijdens het nakijken ga voelen, omdat ik antwoorden die ikzelf gaf, fout moet rekenen. Er zijn gevallen waarin je leerlingen hun diploma ontneemt.

Vergelijk de mate waarin men doorgeslagen is - in de cultus van de structuur - gerust met die andere aberratie, op het gebied van de spelling, het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Maar dat dictee is vrijblijvend, spel. Bij het eindexamen gaat het om slagen of zakken.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Ooit, een jaar of dertig geleden, vonden sommigen, en ze hebben gewonnen, dat het vak Nederlands wetenschappelijker moest. Hoe moest dus abstracter, want wetenschap is abstraheren, nietwaar. En dus praten we nauwelijks nog over wat er nu eigenlijk staat maar voornamelijk over de structuur. Ik zou dat woord hier met een hoofdletter moeten schrijven, want Structuur is tot god verheven. Of beter nog, Analyse van de Structuur. Want dat is echte wetenschap. Dit examen is ontsproten aan een minderwaardigheidsgevoel, aan de behoefte aan legitimatie - in een tijdperk dat de wetenschap De Grote Legitimator begon te worden.

Een rommeltje

Wat me ook stoort, is de suggestie, impliciet, dat zo'n examentekst perfect zou zijn, terwijl-ie ook maar gewoon uit de krant komt. Als je leerlingen alineaverbanden laat benoemen, 'opsomming', 'tegenstelling', wat dan ook, wek je de schijn dat die verbanden a. bewust door de auteur zijn gelegd en b. terecht door de auteur zijn gelegd, terwijl zo'n stuk - qua Structuur - heel wel een rommeltje kan zijn. Maar nooit eens een vraag dáárover. Het kwalijke is dat je leerlingen zo de boodschap meegeeft, impliciet weer, dat wat gedrukt staat goed is & niet beter kan.

Ook nooit een vraag naar de houterigheid van een formulering. De auteur zegt hier dit, maar had dat niet kernachtiger of scherper gekund? Nu is het alsof al die auteurs, vaak journalisten, zulke goede schrijvers zijn. En misschien zijn ze dat wel niet, of hadden ze dit keer haast. Het enige dat serieus bevraagd wordt, is de geldigheid van de argumentatie. Nuttig, maar waarom je daartoe beperken? Het zal niet meer verbazen dat die argumentatie liefst in een schema moet worden gevat, zodat de Structuur ervan zichtbaar wordt.

Dit eindexamen, dáár krijg ik een burn-out van, niet van het vele nakijkwerk waarover wij Neerlandici zo graag klagen. We klagen ook, en we zijn met steeds meer, over deze eindexamens. Maar vooralsnog niemand die dat lijkt te horen.

Kees Beekmans doceert Nederlands aan het Colegio Arubano op Aruba.