ColumnSylvia Witteman

Een vrolijk liedje, maar totaal ongeschikt om te zingen in het aangezicht van zwepen, ketenen en brandmerken

null Beeld

Het is druk op de Suriname-tentoonstelling in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Buiten regent het, binnen zingen tropische vogels. Niet live (jammer voor ons, fijn voor de vogels) maar uit een geluidsinstallatie. ‘De grietjebie!’ roept een oude Surinaamse dame ontroerd. Ook in Suriname worden vogels genoemd naar het geluid dat ze maken, net als bij ons de tjiftjaf, de karekiet, de oehoe en het roodborstje. Nou ja, die laatste niet.

Het moet moeilijk zijn om alle aspecten van de Surinaamse cultuur en geschiedenis in één tentoonstelling te stoppen, en het resultaat is dan ook eclectisch. Voor elk wat wils, zou je bijna zeggen, als dat niet cynisch klonk: het felgekleurde ijskarretje met het opschrift ‘pikien mofo e njang bigi ijs’ (iets over kleine mondjes die veel ijs eten?) is leuk om naar te kijken, maar om de hoek liggen de harde bewijsstukken van de slavernij.

Terwijl ik de ijzingwekkende aankoopbewijzen van de ‘sterke neegers’ en ‘goede neegerinne’ bekijk begint een dikke man achter me te zingen van ‘kleine wasjes, grote wasjes, doe ze in je wasmasjien...’. Het vrolijke lied van de Surinaamse band Trafassi, een grote hit in de jaren tachtig. Pas veel later kwam ik erachter dat het niet over wassen maar over neuken ging. Dat maakt het er niet minder vrolijk op, maar wel totaal ongeschikt om hardop te zingen in het aangezicht van zwepen, ketenen en brandmerken.

Verderop hangt de groene jurk die prinses Beatrix droeg in 1975, tijdens de Surinaamse onafhankelijkheidsceremonie. ‘Mooie jurk!’, roept een klein, donker meisje verrukt. Haar moeder en ik kijken elkaar boven haar hoofdje met duizend vlechtjes glimlachend aan. Jurken die mooi worden gevonden door meisjes van 4 zijn dat meestal niet, en dat geldt ook voor deze.

Om de hoek zien wij een grote, fraai gedekte tafel die bij nadere beschouwing niet feestelijk blijkt maar gruwelijk: op de borden staan lugubere krantenfoto’s afgebeeld van 39 dode mannen, vrouwen en kinderen, onschuldige marrons, vermoord door troepen van Bouterse. Bedrukt kijk ik naar de 39 lege stoelen om de tafel.

Op de muur staat, levensgroot, het hoopvolle gedicht van Robin Raveles Wan bon’ ‘Wan Sranan/someni wiwiri/someni skin/someni tongo/wan pipel.’ (Eén Suriname, zoveel soorten haar, zoveel huidskleuren, zoveel talen, één volk.) Achter me hoor ik die dikke man nog steeds zingen van ‘kleine wasjes, grote wasjes...’ Hij is stellig niet goed bij zijn hoofd.

Onder de indruk loop ik weer naar buiten. Maar even later, op de fiets, merk ik dat ik dat wasmasjien-lied niet meer uit mijn hoofd krijg.

Fijn voor Trafassi, jammer voor mij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden