Democratie Referendum

Een politiek compromis over het referendum is best mogelijk

De commissie-Remkes kwam zomaar weer met het referendum aanzetten. Niet meteen ‘nee’ roepen, Geerten Bogaard ziet kansen.

Oud-vicepremier Johan Remkes,voorzitter van de Staatscommissie Parlementair Stelsel, tijdens de presentatie van het rapport 'Lage Drempels, Hoge Dijken'. Beeld ANP

Het gevreesde spook van het referendum is er weer! Na het afzinken van het raadgevend referendum door de huidige coalitie, heeft de Staatscommissie Parlementair Stelsel het idee gewoon weer op de agenda gezet. Het is, aldus Remkes, tijd voor een bindend correctief referendum. Bijna eenderde van de Nederlanders haakt af en juist die groep zou weleens gebruik kunnen maken van dat instrument.

Uiteraard moet het referendum wel goed worden ingepast. Niet alle onderwerpen zijn referendabel en een referendum uitlokken moet serieus moeilijk gemaakt worden. Maar als het plaatsvindt, moeten ‘mogelijke misverstanden en teleurstelling over de consequenties zoveel mogelijk worden uitgesloten’.

Veel steun lijkt het idee in de Tweede Kamer niet te krijgen en het rapport biedt ongekende mogelijkheden om selectief te winkelen. Niemand zal tegen alle 83 aanbevelingen zijn en een ‘interdepartementaal nationaal actieprogramma voor de versterking van de democratische kennis en vaardigheden’ had er natuurlijk allang moeten zijn.

Toch ligt juist in de analyse van de staatscommissie de mogelijkheid voor een politiek compromis over het referendum. De analyse herinnert immers aan de betogen waarmee Troelstra ooit voor referenda pleitte. Of aan het volkspetitionnement waarmee Kuyper ‘het volk achter de kiezer’ mobiliseerde met een massale handtekeningenactie tegen een nieuwe onderwijswet. Een compromis met hun tegenwoordige politieke nazaten wordt echter ernstig gehinderd door het gehamer op een bindend karakter.

Misverstanden

De Staatscommissie vindt raadgevende referenda geen goed idee, omdat er dan misverstanden over de uitslag kunnen ontstaan. Maar bij het recente Oekraïne-referendum en het Wiv-referendum was helemaal geen onduidelijkheid over de status van de uitslag. Wie de Kamerdebatten over de uitslagen analyseert, ziet veel partijen zich in allerlei bochten wringen om vol te houden dat ze juist heel goed naar de kiezer hebben geluisterd door het voorstel aan te passen. Praktisch niemand pleitte voor het ongewijzigd doorzetten van de concrete wet waarover de kiezer negatief had geadviseerd.

Iets langer geleden, met de Europese Grondwet, ging het precies zo. Toen moest zelfs de Raad van State eraan te pas komen om te bezweren dat het Verdrag van Lissabon echt iets anders was dan de afgestemde Europese Grondwet.

Het probleem is dus niet een gebrek aan duidelijkheid over de binding, maar onduidelijkheid over de reikwijdte ervan. Dat geldt ook voor het rapport van de Staatscommissie. In hun voorstel raakt de referendumuitslag een concreet wetsvoorstel dat dan niet in werking mag treden. Maar geldt deze plicht ook voor aangepaste voorstellen? Of nieuwe voorstellen? En zo ja, hoe lang blijft zo’n afwijzing dan van kracht? Daar ligt de grootste bron van misverstanden en teleurstelling.

Regeling bij conflict

Wat nodig is, is een bruikbare regeling voor conflicten tussen een referendumuitslag en een Kameruitspraak. Voor- en tegenstanders van referenda kunnen daarover prima onderhandelen, omdat referenda en verkiezingen principieel helemaal niet zoveel van elkaar verschillen.

Een inhoudelijk standpunt van de Tweede Kamer is via een bepaalde verkiezingsprocedure tot stand gekomen. Hoewel slechts een deel van de Nederlanders daaraan heeft meegewerkt, wordt het resultaat toch aan het volk als geheel toegeschreven. Dat gebeurt bijvoorbeeld als we van concrete regels zeggen dat ‘wij dat in dit land zo met elkaar hebben afgesproken’.

Bij een referendum werkt dit in principe niet anders. Via een bepaalde procedure waaraan een deel van het electoraat deelneemt, wordt een standpunt ingenomen dat aan het abstracte volk wordt toegeschreven. Dan hebben ‘wij’ opeens de Europese Grondwet afgestemd.

Natuurlijk zijn er relevante verschillen tussen verkiezingen en referenda. Maar constructies blijven het allebei. Het mystieke, soevereine volk spreekt nooit zelf. En dat is maar goed ook. Want soevereiniteit duldt geen tegenspraak, terwijl democratie niet zonder discussie kan.

Waar zou dat dan over gaan? Denkbaar is bijvoorbeeld de conflictregel dat een afgestemde wet tenminste tot de volgende Kamerverkiezingen niet mag worden herhaald, waarop de referendumcommissie toeziet. Zo blijft het mogelijk om een wetsvoorstel te blokkeren én worden ‘mogelijke misverstanden en teleurstelling over de consequenties’ zelf ook weer onderdeel van verkiezingen.

Of een andere conflictregel waar voor- en tegenstanders van referenda mee kunnen leven. Als het maar niet over de vrije dag op 5 mei gaat, maar over het volk achter de diplomademocratie. 

Geerten Boogaard is assistent professor rechten aan de Universiteit Leiden. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden