Column Erdal Balci

Een ontmoeting met de Turkse Sylvia Kristel aan de kade

Aan de kade in Istanbul stonden de geluidsman en ik te wachten op de regisseur die maar niet wilde komen. Naast mijn voeten de camera, de ­geluidsapparatuur hangend aan de brede schouders van Benny.

Een kleine vrouw op leeftijd verscheen uit het niets, keek liefdevol naar de camera en vroeg waar we vandaan kwamen. Die stoutmoedige blik in haar ogen, die had ik toch ooit in mijn hersenen gegrift... De lang geleden uit de mode geraakte kleur van haar lippenstift deed me rillen als was ik een hond onder de plak bij Pavlov. Ik ging ­terug naar mijn kindertijd die ­getekend was door de verschrikkelijke winters en de aanhoudende kou. De wolkjes van onze adem ­waren de voorlopers van de massale migratie, haar gezicht op het grote doek de warme deken.

‘Ik ben Figen Han, jij zal wel weten wie ik ben’, zei ze trots, in de terechte verwachting dat alle mannen van mijn leeftijd met een verleden in dat land de naam Figen Han eeuwig in hun harten droegen. In dat stadje ver van Istanbul, in het uiterste noordoosten welteverstaan, hadden alleen sneeuwstormen en deze beminnelijke dame ooit voor spektakel gezorgd. Sneeuwstormen door weer eens kinderen, die hun weg naar huis niet hadden kunnen ­vinden, van hun prille levens te ­beroven, Figen Han schitterend in een nieuwe film die de stinkende bioscoop van ons stadje had weten te bereiken.

Onze wimpers waren bevroren als we plaatsnamen in de houten stoelen in de ijzige zaal. De witte binnenkant van haar benen waren de ­kachel die onze wimpers deed ontdooien, haar stem klonk liefdevoller dan de vrouwen die ons hadden gebaard, haar boezem wekte begrip voor het besluit van onze vaders om weg te gaan uit dat gat. Haar dunne vingers waarmee ze halverwege de films haar bh afdeed sneeuwklokjes die iedere maart de kop opstaken om te zeggen dat weldra een einde ging komen aan de ellende.

Ze liet haar oogje vallen op Benny. ‘Mooie jongen’, riep ze harteloos uit. De ellende was inderdaad verminderd na zoveel decennia, maar het onrecht hield fier stand daar aan de kade in Istanbul.

Figen Han schepte tegen Benny in steenkolenengels op over in hoeveel films ze had gespeeld. Ik dacht aan de tijd in de koude bioscoop. Als de film eindelijk van start ging, hoorde je de ritsen van de oudere jongens omlaag gaan, haar mooie gezicht verscheen altijd wat later, dan hoorde je die jongens in hun handen spugen en zodra ze uit de kleren ging om alle boerenkinkels van ons stadje te trakteren op een onovertroffen wulpsheid, klonk de kako­fonie van de collectieve masturbatie in de bioscoop.

Ik en mijn vriendjes waren nog te klein voor dat grove werk. We keken met rode wangen naar Figen Han, ­instinctief wetend dat zij ons voorbereidde op iets dat paradijselijk moest zijn.

Dan hoorden we de voetstappen van de bioscoopeigenaar naderen. Ik weet niet meer hoe die boomlange vent heette. Wel dat hij accuraat omging met een dikke stok van minstens 2 meter lang. Meedogenloos sloeg hij ermee op de piemels van die geile hufters, die zonder enige schaamte iedere keer bij een film met Figen Han de vloer en de stoelen van zijn bioscoop bevuilden met hun klodder.

Benny had snel door dat de Turkse Sylvia Kristel vriendelijk stond te doen tegen hem en haalde zijn ­mobieltje tevoorschijn voor een selfie. Figen Han, de grote liefde van een hele generatie arme sloebers als ik, toverde aan de kade in Istanbul een prachtige lach tevoorschijn voor de foto. In kleren die hun best deden om de weelde van voorheen niet te laten vergeten maar ook niet konden verbergen dat het geld op was, leunde Figen Han tegen de geluidsman. Haar haren bracht ze samen in haar kleine vuist en trok ze met grote kracht naar achteren. Haar rimpels verdwenen daardoor als na een facelift.

Ze keek blij in de camera. Het was winter en bloemen stonden te bloeien in haar bruine ogen. Vogels die in andere continenten hadden moeten zijn, zongen boven onze hoofden. In een wereld waar olietankers nooit wit zijn, voer een witte tanker op het rode water van de Bosporus.

Grove, besnorde, harige mannen hadden we in al die films zich respectloos op onze Figen Han zien storten. In een blauwe trein zou ik haar naar oorden van de nieuwe ­kansen willen brengen. Dat had ik echt tegen haar willen zeggen. Maar de lieve dame zei ‘dag’ tegen Benny en verdween in de laconieke ­menigte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.