Column Peter Middendorp

Een mooie prijs was het zeker niet

Het was een bijzonder programma waarin we waren terechtgekomen, met zes genomineerden voor een prijs. Met chaos, rumoer, medewerkers in paniek en beveiligers die dachten dat we ons onrechtmatig toegang probeerde te verschaffen.

Maar eenmaal op de eerste rij van het publiek – oog in oog met de prijs – was alles meteen vergeven en vergeten – verdwenen achter de horizon van het menselijk tekort, waar niemand nog ergens verantwoordelijk voor is.

Vooraf, in de aankondiging, in de leader, de teaser en voor en na de reclameblokken, riep de presentator – ‘Welke schrijver gaat er vanavond met de grote cheque naar huis?’ – zodat de uitreiking, wat niet erg was, op de loterij begon te lijken.

Geld was natuurlijk belangrijk, zonder geld kwam een schrijver niet aan werken toe, toch hoorde ik mezelf tegen mijn buurman zeggen: ‘Het geld mogen ze houden. Ik heb veel liever de prijs dan het geld.’ 

‘Natúúrlijk’, zei hij, alsof het logisch was.

Samen keken we naar de prijs, en de prijs, op zijn beurt, keek naar ons terug, naar ons alle zes, terwijl maar eentje hem zou krijgen – Tommy Wieringa voor De heilige Rita, een geweldige roman. Na afloop zei ik dat hij de grote cheque ’s nachts niet onder mijn hoteldeur moest schuiven om die, telkens als ik hem wilde pakken, steeds weer snel terug te trekken, maar hij sliep thuis, zei hij.

De prijs stond vlak voor ons, op een laag tafeltje achter de grote talkshowtafel. We konden hem bijna aanraken, met de voeten weliswaar, als we ons tenminste – hoofd op de zitting, handjes aan de vloer – horizontaal hadden uitgerekt. Het was een beeld van een opengeslagen boek, met vingers of versieringen eromheen, zilverkleurig, glimmend, glanzend, op een kleine, zeegroene voet.

Mooi was de prijs niet. ‘Mooi’ was een categorie die niet op de prijs van toepassing was. Maar hij was wel erg begeerlijk, er ging een enorme aantrekkingskracht vanuit. Voor deze dag had ik nooit aan een prijs gedacht. Niet echt of serieus. Het leek me eerder een vervelende wens om mee rond te moeten lopen. Maar nu voelde ik het heel sterk ineens. Ik wilde de prijs. Ik begon er inwendig steeds meer recht op te krijgen.

Was het verlangen naar een prijs er altijd al geweest, vroeg ik me van de weeromstuit af, zonder dat ik hem ooit had opgemerkt? Waren alle mensen soms uitgerust met een latent verlangen naar een glimmende prijs, dat door de juiste prikkels kon worden wakker gekust? Of was die wens er van buitenaf ingebracht?

 Of was het niet belangrijk hoe het was gebeurd, maar ging het er vanaf nu veel meer om of hij zou blijven of niet – en wat hij hierna ging doen. Een innerlijk proces beginnen zeker? Woekeren? Mij vanbinnen opvreten? En kreeg je eigenlijk ook nog invloed op wanneer en op welke manier het verlangen waarschijnlijk de hele tijd naar buiten kwam, in woord, gebaar of ook maar een column? Of was het afwachten?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.