ColumnEva Hoeke

Een mobiel is onzin, zeggen geïnterviewden in 1998

Beeld Aisha Zeijpveld

In 1995, ik was 16, kreeg ik kennis aan een knaap met een pieper.

Wanneer ik hem wilde spreken belde ik via onze vaste huistelefoon naar zijn nummer, waarna ik geduldig bleef wachten tot hij mij vanuit een telefooncel terugbelde, tenminste, als er nog geld op zijn telefoonkaart stond, anders hadden we ruzie. Toen hij die pieper later omruilde voor een mobiele telefoon, vreesde ik de hoon van mijn vriendinnen, die een niet-vaste telefoon als een ondraaglijke aanstellerij beschouwden. De Man, die ik toen nog niet kende, schafte in dezelfde tijd in een parallelle wereld een mobiele telefoon aan omdat hij een baan kreeg bij een opinieblad. Een zwarte baksteen van Nokia, als hij ’m meenam hing zijn colbert scheef. Onder journalisten was dit misschien normaal, maar in Nijmegen, waar hij een jaar had gestudeerd en nog af en toe kwam, werd er openlijk van gewalgd. ‘Is dit nou nodig?’, vroeg een vriendin verwijtend toen hij zijn telefoon naast de asbak op de bar van eetcafé De Plak legde, want die stond er toen ook nog gewoon. ‘Kan je die niet in je broekzak stoppen?’ ‘Daar past-ie niet in’, had de Man geantwoord. ‘Daarom draag ik colberts.’

Er bestaat een schitterend filmpje van filmmaker Frans Bromet, die in het jaar 1998 mensen op straat op de hem zo typerende droogkloterige wijze vraagt of ze een mobieltje hebben. Je weet natuurlijk niet wat de maker heeft weggelaten uit de uiteindelijke montage, maar van alle mensen die hij spreekt heeft er niet één een mobiele telefoon, en er is ook er niet één die daar belangstelling voor heeft. ‘Ik vind het niet nodig’, zeggen ze allemaal met fijne jarennegentigkapsels en met een, kan toeval zijn, opvallende innerlijke kalmte. En: ‘Ik heb al een antwoordapparaat.’

Frans Bromet, vanachter zijn camera: ‘Dus u ziet het nut er niet van in?’

Man op een Amsterdamse brug, laconiek: ‘Absoluut niet.’

Een moeder met een kind achterop, ongelovig: ‘Dan ben je aan het fietsen en word je gebeld!’

Je hoeft de geïnterviewden van toen niet op te sporen om te zien of ze alsnog zijn gezwicht voor de mobiele telefoon, want dat zíjn ze, vroeg of laat, allemaal, daar durf ik mijn linkerarm voor te geven – of het moet die oude baas op de pont zijn, van hem zou het me tegenvallen. Ook wij, de vriendinnen van 1995, hadden binnen de kortste keren zo’n ding aan onze oren hangen, en nu, 24 jaar later, zijn we vooral bezig met de vraag hoe we onze kinderen er zo lang mogelijk bij weg kunnen houden. Dat valt niet mee. We lezen voor en spelen mee, we doen monsters na en verslaan draken, we brengen ze naar voetbal en hockey en balletles, maar zodra ze een scherm zien zijn wij verdwenen, weg, uit beeld, zelfs een simpele vraag komt niet meer aan. Over de vingervlugheid van 2-jarigen kan je veel aardigs zeggen, van tien keer Baby Shark doo doo doo doo doo doo achter elkaar minder.

Zo vaardig als kinderen zijn met telefoons, zo aandoenlijk hotsebotsen boomers de mobiele berg over. Schitterend, dat zorgvuldige getyp met één vinger, de blik over de bril heen getuurd. Bizar, dat veelvuldige gebruik van de komma in zinnen, dat er in de jaren zestig waarschijnlijk voor ééns en voor altijd in is gestampt. Dat eeuwige aan het typen… boven in het scherm, om uiteindelijk alleen ‘Ok’ te ontvangen. Maar het mooiste bericht kwam van de moeder van een van mijn middelbareschoolvriendinnen, een anekdote die we over vijftig jaar waarschijnlijk nog aan elkaar vertellen. ‘Dit is mijn eerste sms’je ooit’, schreef ze aan haar dochter. ‘Leuk hè? Dikke kut, mama.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden