columnfrank heinen

Een land waar mensen ontzettend welkom zijn, tot ze hun werk verliezen

Frank Heinen artikel Beeld -
Frank Heinen artikelBeeld -
Frank Heinen

In het begin van Trois couleurs: Blanc van Krzysztof Kieslowski verliest de Poolse kapper Karol alles: zijn huwelijk, zijn betrekking, zijn bezittingen, zijn geld en zijn zin om nog langer door Parijs te zwerven. Wanneer hij vervolgens door een vriend zijn vaderland wordt binnengesmokkeld, wordt de koffer waarin Karol zich heeft verstopt gestolen. Als hij weer daglicht ziet, kijkt Karol in de ogen van een paar criminelen die op een vuilnisbelt de gejatte bagage verdelen. Karol krijgt een paar meppen, valt in de besneeuwde modder en blijft dizzy liggen. Dan laat hij zijn blik over de grauwe omgeving glijden en mompelt: ‘Eindelijk thuis.’

Wie nu dak- en werkloos raakt, als Pool in Nederland bijvoorbeeld, kan op weinig plekken terecht. Niet, zoals Karol, in een metrostation, want daar word je uit geknikkerd. En ook niet op een bankje in de stad, of onder een brug, want dat wordt je onmogelijk gemaakt. Arjen van Veelen schreef deze week in NRC over de vijandige architectuur van straatmeubilair: ‘Neem de vele bankjes met een licht bollende zitting, vaak zonder leuning. Zodra je er in slaap valt, rol je vanzelf op de straatstenen.’ De laatste update van het Instagram-account ‘Dutch_hostile_architecture’ dateert van een aantal weken geleden: een rijtje minibankjes voor de etalage van een juwelier in Den Haag, zo klein en zo smal dat geen mens er ooit op zou kunnen zitten, laat staan liggen. Wie erop let, ziet ze overal, dit soort uitingen van uitgesproken ongastvrijheid, woordeloze verzoeken om zo snel mogelijk weer op te duvelen. Blijf niet hangen, ga niet zitten, rust niet uit. Waarheen dan? Kan mij het schelen. Wég. En zo worden mensen die soms alles al kwijt zijn nog wat extra opgejaagd, de stad door, van stationshal naar bibliotheek, waar je mensen met plunjezakken de tijd kunt zien doden. Vorig jaar werd in De Groene Amsterdammer al uitgelegd hoe dakloze arbeidsmigranten niet dezelfde hulp kregen als Nederlandse daklozen, hoe EU-migranten zonder werk en zonder huis aan hun lot werden overgelaten. Vaak ging het om mensen die kortstondig hadden gewerkt in een distributiecentrum, een slachterij of een kwekerij. Eenmaal op de dool – verlies van werk betekent ook verlies van onderdak – konden ze al gauw nergens meer terecht en werden ze ook nog door gemeenten ten onrechte geweigerd bij de opvang. In september volgde er een plan van aanpak, van de staatssecretaris, in december een debat met een geschokte minister. Algemene toon, altijd, overal: zo kan het niet langer, dit is te gek. Maar: zo kan het kennelijk al jaren prima, en het blijkt altijd best nóg wat gekker te kunnen.

Vanwege de enorme arbeidsmarkttekorten wordt er deze week in het Europees Parlement gesproken over de versoepeling van arbeidsmigratie van buiten de EU. Daar moet, kondigde Europarlementariër Agnes Jongerius aan, dan wel goed toezicht op komen. Maar ja: dat wordt al zo lang gezegd. Intussen gaat het niet meer alleen om vergunningen en scherpere regels en betere handhaving, en om de vraag of je de boel niet eerst eens goed op orde moet hebben voor je mensen voor je aan het werk zet. Het gaat om de vraag hoeveel megaslachthuizen je wilt, en hoeveel hectare distributiecentra, hoeveel winst je wilt maken, hoeveel pakketjes je denkt te moeten bestellen en hoeveel mensen op één kamer, hoeveel uitbuiting, hoeveel vergalde dromen en hoeveel kwaadaardige bankjes je dat waard acht.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden