Column Peter Buwalda

Een goeie tandarts heeft een slecht gebit

Met bruggen, kronen en stifttanden. Anders is het een kind met een boor.

Peter Buwalda illu Foto Berto Martínez

Ik ga graag naar mijn tandarts, bijvoorbeeld omdat hij in de wachtkamer mooie Beatlesfoto’s heeft hangen. Maar ook gewoon, omdat het er gezellig is. Het is een geestige man. Een beetje een rare ook wel, want de ene helft van de week houdt hij praktijk in Amsterdam-Noord, en de andere helft in Italië. (Hij lijkt een beetje op Leo Beenhakker, dan heeft u een beeld. Ik ken mensen die als je zoiets zegt, meteen roepen: ‘Neeee, Beenhakker? Neeee, Leo Beenhakker ziet er anders uit.’ Voor hen heb ik een verrassing: mijn tandarts ís Leo Beenhakker niet, hij lijkt er alleen op.)

Laatst fietste ik naar hem toe, aan de late kant, toen naast me een auto kwam rijden waarvan het raampje omlaag zakte. ‘Doe maar rustig aan’, zei de tandarts, ‘de tandarts is er ook nog niet.’ Hij kwam rechtstreeks van Schiphol, leek me, wat ik eervol vond. Ik zag het voor me, hoe ’s ochtends vroeg in Italië de wekker ging, meteen uit bed, vlug naar het vliegveld, inchecken, opstijgen, landen, de hele reut – allemaal om op tijd bij mijn lege kieswerkje te zijn.

Ik heb veel vragen, maar helaas staat mijn mond steeds open. Wat moet dat in Italië, bijvoorbeeld: heeft hij er stiekem een gezin? Of doet hij soms Berlusconi? De paus? Je gaat niet voor je lol steeds in een vliegmachine zitten, zeker niet met vliegangst, waarvan ik hem verdenk. Hij is namelijk ook bang voor de tandarts, vertelde hij. Dat zijn overigens de beste: tandartsen die zelf kromlopen van de amalgaam. Je zult er maar een hebben met ‘nul gaatjes’. Nee, een tandarts moet bruggen, stifttanden, kronen en uitgeboorde wortelkanalen meetorsen, anders kent hij geen empathie. Een tandarts met ‘nul gaatjes’ is een kind met een boormachine.

Mijne is een echte kerel. ‘Als ik zelf een vulling moet’, zegt hij, ‘neem ik altijd verdoving. Sterker, voor ik ga, verdoof ik mezelf thuis al even.’

Ik: ‘Eh aar? Oe ah?’

‘Gewoon, voor de spiegel, met een spuit. Kan het alvast inwerken. Heb je een leuke vriendin?’

‘Eker – ee euk.’

‘Mooi zo.’

‘Oe o?’

‘Kijk, als je vullingen uitvallen, kan dat door knarsen komen. Spoel maar even.’

‘Ze geeft me wel veel pitten en zaden.’

Dat vindt de tandarts zorgelijk, zegt hij, pitten en zaden. Ze zijn bedoeld voor snaveldieren, zoals kanaries. ‘Ga je er wel beter van zingen?’

‘Nee. Wel méér, geloof ik.’

‘Dan zou ik er toch mee stoppen. Eet je nog altijd een Snickers? Als je terugloopt van de Albert Heijn?’ De halve week in Italië, maar de patiëntenkennis is tiptop.

‘Ja’, beken ik, ‘maar ik koel ze tegenwoordig op de band.’ Van mijn favoriete reep ging een zuigende werking uit, hadden we besloten. Hij zoog de vullingen er als het ware uit. ‘Tussen twee pakjes diepvriesfruit, begrijpt u. Wordt-ie lekker hard van.’

De tandarts knikt tevreden. ‘Je moet je Snickertje er ook niet voor laten staan. Mijn vriendin, die houdt van de hamburgers in het Waldorf. Dus die wil ze. Maar je kunt overal hamburgers kopen, zeg ik, maar nee: ze wil alleen die uit het Waldorf.’

‘Vlakbij?’ probeer ik.

‘Totaal niet. En niet goedkoop ook.’ Waarna we afscheid nemen.