column Eva en Eddy Posthuma de Boer

Een beschamende hoorspelscène op een tuinfeest met mijn eerste liefde

Het leven door de ogen van de Posthuma de Boers; elke twee weken een foto uit het rijke naoorlogse archief van vader Eddy, met een tekst van dochter Eva.

Het was zomer en mijn ouders gaven een tuinfeest. U voelt ’m aankomen: daar stond iets te gebeuren. Ik was 19 en verliefd, mijn eerste grote liefde, met wie ik meestentijds doorbracht op het matras op de grond van mijn eerste eigen kamer. Maar voor het tuinfeest kwam ik er graag uit: ik ging pronken met mijn liefde. Onze entree was sprookjesachtig: hand in hand liepen we door de serre om boven aan de trap naar de tuin koninklijk te blijven staan en ons met onze blakende, geile, verliefde jeugdigheid door alle vrienden van mijn ouders bewonderend te laten bekijken. We dronken, staken sigaretten op en lieten ons omringen door vriendinnen van mijn moeder, die met gretige vingers door zijn lange krullen woelden. ‘Wat een knapperd.’

We dronken meer en alles door elkaar, hij met grote teugen, net zo begerig naar drank als naar mij. De zon zakte, fakkels lichtten op, allebei raakten we met mensen in gesprek, elkaars aanwezigheid onophoudelijk voelend. Tot ik merkte dat hij weg was. Naar de wc? Ik wachtte, hij kwam niet terug. Ik liep de serre door, de gang in, naar boven, mijn oude, onaangeroerde kamer met Coca-Cola-dekbed en Richard Gere-poster, de badkamer, langs de spiegel, angstige blik, waar was hij? Ik vond hem in het portiek, ineengezakt als een zwerver, een bergje kots naast zich, restjes op zijn kin. Ik hurkte neer, hij sloeg me van zich af, lispelde dat ik moest opflikkeren, dat ik hem benauwde. Hij trok zich aan de muur op en waggelde de straat uit.

Dave Parker, 1960. Beeld Eddy Posthuma de Boer

Wat volgde, werd opgetekend door Jan Vrijman, de journalist die elke dag een stukje op de voorpagina van Het Parool publiceerde en net in het kleinste kamertje stond op het moment dat ik, omringd door de vriendinnen van mijn moeder, op de trap ineenstortte. Zo kreeg hij zijn stukje voor de volgende dag als een hoorspelscène opgediend.

‘(…) luisterde ik verzaligd naar het verre gerinkel van eten en drinken en gedruis van vrienden en vreemden. Tot er, traag overvloeiend, andere klanken tot me doordrongen, heldere en schelle, als onraad of ongeluk, raadselachtig, en zoekend naar het epicentrum zag ik alle vrouwen van het feest verzameld rond de dochter van het huis die zich schreiend over haar plotseling weggelopen vriend bekloeg, en alle moeders om haar heen weeklaagden, troostten en bemoedigden in een groot, verdrietig maar toch feestelijk ritueel.’

De volgende dag. Op de voorpagina. Ik verschool me met mijn schaamte in bed, op dat matras dat nog naar mijn eerste liefde rook.

‘Ik kan zweven.’ Met die zin eindigde Vrijman, waarmee hij samenvatte hoe hij zich op die zomeravond voelde. Nu pas lees ik hoe mooi het was wat hij schreef en kan ik met hem meevoelen. De schaamte ver voorbij, verlang ik weer te zweven.

Eva Posthuma de Boer (1971) is schrijver (van onder meer de roman En het wonder ben jij, 2018); Eddy Posthuma de Boer (1931) is fotograaf en werkte voor Het Parool, de Volkskrant, Time-Life en Avenue. Samen kiezen ze elke twee weken een foto uit Eddy’s archief.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden