Column Nico Dijkshoorn

Domme agenten zijn nog altijd beter dan vrolijke rock-’n-rollers

Dit weekend watchte ik binge in een huisje op Terschelling omdat het eiland werd overspoeld door honderden mannen met paardenstaarten die op een oude solex hun stippenjurk-vrouw van de veerboot naar Midsland reden. Daar werd een ouderwets rock-’n-rollfestival georganiseerd.

Ik wist hoe dat eruitzag. Mannen die met achterovergekamd haar, gekleed in lichtblauwe hemdjes met korte mouwen, zwijgend om een auto uit 1955 staan. Op een klein podium spelen Wil Heli en de Rokkenjagers vrolijke psychobilly en in een stalen vat wordt een varken net zo lang gegaard tot je hem met twee vorken op een broodje kunt smeren.

Waar ik voor vluchtte was de nogal dwingende behoefte van Elvis-rock-’n-rollers aan bevestiging. Je moet steeds naar ze knikken. Daar zag ik tegenop, dat ik de hele dag mijn duim omhoog moest steken als iemand op een pruttelende brommer voorbijkwam. Ik had daar zo ontzettend geen zin in, schouderklopjes uitdelen omdat er iemand in een turquoise auto met rood leren bekleding voorbijkomt.

Jaren geleden kwam ik, tijdens het boodschappen doen in een Frans dorpje, midden in een nostalgische rockfestival terecht. Ik moest urenlang luisteren naar een totaal verknipt verhaal van een zekere Luc over het ontstaan van de echte rock-’n-roll.

Luc stond naast mij in een vaal leren jasje en ratelde maar door. ‘Eerst had je niks. Dat noemden ze de onversterkte muziek, maar toen heeft Ramblin Rick in dat ene dorp in Amerika snaren op een oud olieblik gezet en dat is toen via de Mississippi naar die ene boot gegaan en zo is dat door een onoplettende havenmeester in Hamburg bij The Beatles terecht gekomen die er lang haar bij gingen dragen en nu sta ik hier op een plein in La Rouche Vache en dat kan dus alleen met rock-’n-roll. Hoe vind je mijn schoenen? Die zijn van Shaking Dave and his dying liver geweest.’

Dus watchte ik binge in vakantiebungalow De Schulppenkup en schold ik binnen een kwartier alle politieagenten in de Netflixserie Zone Blanche kapot. Even heel kort waar de serie over gaat: er is een eng Frans bos, in vijf jaar tijd zijn er 37 mensen onder gruwelijke omstandigheden om het leven gekomen. Een agente met drie vingers vertrouwt het niet en er is een wolf die op een baby past. De baby woont in een kartonnen doos.

Als kijker vreet je je binnen twee minuten op van de zenuwen. Je ziet een vrouw, behangen met repen vlees, aan een boom hangen, of er ligt een invalide jongen in de onderbroek van zijn vader in een tuin en daarna komen er twee agenten het beeld binnenlopen. De reactie: niks aan de hand, wat eten we vanavond? Doorlopen mensen, er liggen wel meer baby’s in een doos vlak naast een witte wolf.

Nooit zag ik dommere agenten. Om de vijf minuten kruipen er mensen kermend door het bos of staan ze vastgeketend aan een rotsblok te schreeuwen dat ze dood willen en daarna verschijnt er een agent in beeld die zegt: ‘Nee het is niks. Het is het geluid van een vogel.’

In Zone Blanche figureren de domste agenten ooit. Al snijden ze een opgezette uil vol cocaïne uit een hertenmaag, je weet wat ze gaan zeggen: dit komt verdomd ongelegen,  het is bijna vijf uur.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden