Column Joost Zaat

Dokters vinden verslaving blijkbaar veel minder interessant dan de gevolgen ervan

‘Zo, dok, zo vroeg al aan het bier?’, vraagt Bert, een vijftiger die net gaat zitten. Heel even begrijp ik het niet, totdat het kwartje valt. Ik had gewoon water gedronken maar niet gekeken welk glas ik uit de keuken met ons nogal wanordelijke servies had gepakt. Juist het enige glas met een Amstel-Bierlogo, dat is natuurlijk vragen om opmerkingen, zeker nu hij komt vertellen dat hij wil ophouden met zijn dagelijks geslemp. Vier halve liters is hem te veel.

De drank laat vooral in zijn relaties sporen na. Hij doet het al een jaar of dertig zo. Na het werk, biertje, sigaretje en dan worden het er altijd meer. ‘Heb je niet een pilletje?’ Er zijn wel pilletjes waardoor je misselijk wordt als je teveel drinkt, maar die zijn al tijden niet leverbaar omdat producenten er geen brood meer in zien. Bijster goed helpen ze trouwens ook niet. Er zijn pillen die je trek in alcohol remmen, maar die behoren meer tot het arsenaal van de verslavingsarts dan van mij.

‘Nee, Bert, geen pil, ik heb wel een verwijzing naar de verslavingszorg. Maar dan moet je wel geduld hebben, want de wachttijd voor de intake is zeker een maand of twee.’

‘Mwah, dat helpt, zeg.’

Roken en drinken horen bij elkaar. De ene verslaving onderhoudt de andere. Zelfs de producenten zijn met elkaar verweven: zo was de voormalige baas van Heineken ook commissaris bij een tabaksfabrikant. In Berts leeftijdsgroep rookt nog 1 op de 5 mannen dagelijks en 1 op de 17 paft er dan meer dan 20 weg. 4 op de 5 drinken alcohol, 1 op de 10 drinkt meer dan 21 glazen in de week of elke week wel een keer meer dan 6 glazen. Alleen al van de circa 600.000 mannen die ongeveer even oud zijn als Bert, roken er dus 120.000 en hebben er 60.000 een alcoholprobleem. Hoe lager opgeleid, hoe meer rokers en ‘bingedrinkers’. Een belangrijk deel van de rokers en stevige drinkers loopt op den duur lichamelijke, psychische of sociale schade op. Het zijn er vele malen meer dan de patiënten met zeldzame maar voor dokters en geneesmiddelenproducenten interessante ziekten en er zwemt ook nooit eens iemand voor verslaafden in een vieze Amsterdamse gracht of Friese sloot.

Je zou met deze aantallen verwachten dat de BV Nederland investeert in preventie en in zorg, want dat levert kwaliteit van leven en gezondheid op. Maar voor de totale verslavingszorg trekt Nederland nog niet eens de helft van de vrijgestelde dividendbelasting uit, namelijk een krappe 800 miljoen. Dat lijkt veel geld maar het is nog geen 1 procent van de kosten van de zorg.

Dokters vinden verslaving blijkbaar ook veel minder interessant dan de gevolgen ervan, want er zijn maar 216 verslavingsartsen in Nederland, terwijl de 1.215 cardiologen en 730 longartsen veelal niets anders doen dan de rommel van de verslaving opruimen. Bert ga ik zelf regelmatig zien, misschien krijg ik hem wel terug naar 1 liter bier.

Reageren? j.zaat@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.