Column Kunst volgens Pontzen

Dode kunstenaars zijn gewillige kunstenaars en voor elk doel inzetbaar

Rutger Pontzen. Beeld Berto Marinez

Het zal je toch maar overkomen. Ben je koud een jaartje dood, gaan ze al met je erfenis aan de haal. Het overkwam Stanley Brouwn, conceptueel kunstenaar die ruim veertig jaar lang een anoniem leven wist te leiden, op een paar data na: geboren op 25 juni 1935 te Paramaribo, gestorven op 18 mei 2017 in Amsterdam.

Toch werd uitgerekend diezelfde Brouwn onlangs opgenomen in de Nederlandse inzending naar de Biënnale in Venetië voor volgend jaar, tezamen met twee andere kunstenaars met Surinaamse roots, Iris Kensmil en Remy Jungerman.

Het was een ideetje van Benno Tempel.

De directeur van het Haags Gemeentemuseum dacht de tijdgeest goed aan te voelen. Ging de biënnalebijdrage van Wendelien van Oldenborgh, vorig jaar, nog over het miskennen van de ‘zwarte kant’ van de Nederlandse samenleving, nu was het tijd om de even veronachtzaamde donkere kunstenaars te rehabiliteren. In collectief verband. Dus inclusief Brouwn, hoewel hij tijdens zijn leven nooit in het openbaar over zijn huidskleur of culturele achtergrond had gesproken.

Het maakte Tempel blijkbaar niets uit. Hij had een agenda, een dubbele agenda: om Brouwn niet alleen als minimalistisch kunstenaar te tonen, maar evenzeer als een lichtend voorbeeld van een geslaagde integratie en emancipatie.

Nu de weduwe van Brouwn deelname van het werk van haar overleden man aan Venetië heeft verboden, moet je je afvragen of Tempel in zijn idealisering van Brouwns werk niet te ver is gegaan.

Over dubbele emancipatieagenda’s gesproken, kent u die grap over de pispot van Duchamp? Nou, die was niet van Duchamp. Althans dat schrijven een paar critici die het schijnbaar weten: dat een Duitse barones dit kunstwerk uit 1917 heeft gemaakt. Of toegeëigend. Of verzonnen.

Haar naam: Elsa von Freytag-Loringhoven.

Interessante gedachte. Een klein bezwaar: voor alle pogingen om haar tot ‘bedenker’ van het pispotkunstwerk te maken, bestaat geen enkele concrete aanwijzing. Niets. Noppes. Oké, ze zou in die tijd een paar afvoerpijpen aan elkaar hebben geschroefd. Het urinoir van Duchamp zou als kunstwerk door een onbekende vrouw op een tentoonstelling zijn ingezonden. En op het naamkaartje aan die pot stond een adres in Philadelphia. En in die stad woonde Elsa ook.

Vandaar.

Er zijn sterkere aanduidingen denkbaar, zeker in vergelijking met alleen al dat ene bewijsstuk ten faveure van Duchamp: de foto van zijn atelier waarin de befaamde pot gewoon aan het plafond hangt. Aan een ijzerdraadje. De foto is slechts een indicatie in een trits van aanwijzingen, waarbij het bedenken, aankopen, publiceren, inzenden, verplaatsen, fotograferen en beoordelen van de pot als kunstwerk maar aan één naam kan worden verbonden: Marcel Duchamp.

Arme Elsa.

Net als Stanley Brouwn fungeert ze postuum in een droomwereld die anderen voor haar hebben bedacht. Zoals Brouwn als zetstuk wordt gebruikt om het blanke bolwerk van de Nederlandse kunstwereld te slechten, zo moet Von Freytag de mannelijke dominantie in de mondiale kunstwereld breken, zeker nu de MeToo-discussie voor het juiste momentum zorgt. Je zou het onrechtmatige toe-eigening kunnen noemen, of paternalisme, als het niet zo macho klonk.

Het wachten is nu alleen nog op het bewijs dat niet Picasso de Guernica schilderde, maar zijn muze, Dora Maar. En dat Rembrandt slechts de kwasten en verftubes klaar legde om Saskia de Nachtwacht te laten penselen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.