Column Nico Dijkshoorn

Dit was een andere vis dan op de marktkraam, in het ijs; de ogen van deze vis deden het nog

Gisteren liep ik langs een gracht. Dertig meter voor mij hing een man achterover met een hengel in zijn hand. Hij zag mij komen aanlopen. Ik wist meteen dat ik nu naast hem moest gaan staan.

Ik vond dat zo erg voor die man. Ieder ander mens zou beter zijn geweest. Ik verlam naast vissers. Ik kijk naar hun handen en denk: die gaat hij zo om de kop heen wringen en dan met die vingers in de mond van die vis en die vis wil dat helemaal niet.

Ik zou het zelf ook niet prettig vinden. Je zit in je tuin, er klimt een man over je heg, hij werpt je op de grond, zet zijn voet in je rug, gooit een speciaal kleedje over je heen en daarna voelt hij aan je huig. Terwijl hij je hoofd naar achteren trekt, ruik je aan zijn pisvingers wat hij de dag daarvoor heeft gegeten. Iets met rucola. Lekker, moet je zelf ook weer eens kopen.

Ik durfde dat niet tegen die man te zeggen. Ik vluchtte in lafheid. Ik vroeg hem − terwijl hij woest aan zijn hengel sjorde −  welke vis hij het liefst vond. Die vraag beviel hem niet. ‘Lief? Hoezo lief. Het zijn vissen. Ik hoef er niet mee op vakantie. Ik ga er mee op de foto en daarna flikker ik hem terug in het water. Maakt hij ook eens wat mee. Vissen zien de onderkant van een eend. Dat is het wel zo’n beetje. Als deze vis vanavond thuiskomt van het werk dan vraagt zijn vrouw: ‘En?’ Dan kan hij zeggen: ‘Ik ben gevangen door Bert.’

‘Die een broek droeg met afritsbare pijpen en uit zijn smoel meurt naar een concentratiekamp’, dacht ik, maar ik zei het niet. Ik keek naar het gevecht tussen Bert en dier, zag een zilverkleurige vis met rode wangen vechtend boven water komen en moest goedkeurend kuchen toen Bert hem voor mijn voeten op de stenen smeet.

‘Het is een vis’, zei ik. ‘Ja’, zei Bert. ‘Morgen hoop ik op een kameel. Hoezo, het is een vis?’ Ik wist niet hoe ik het Bert moest uitleggen, maar dat is wat ik voelde. Dit was een andere vis dan op de marktkraam, in het ijs. Deze vis zijn ogen deden het nog. Bert vroeg of ik een foto wilde maken.

Hij ging voor mij staan en duwde de vis richting zijn eigen telefoon. Op dat moment besloot ik er een zo lief mogelijke vis van te maken. Mijn doel: wroeging, nachten lang wakker liggen en uiteindelijk Bert langs een treinrails met een afscheidsbrief in zijn hand. Ik ging voor de kill.

‘Die vis zit vol met andere visjes. Haar kindjes. Die hebben allemaal een naam, want vissen hebben de tijd om over namen na te denken. Wij niet. Wij noemen ons kind dan in godsnaam maar Bert, ik noem maar even een naam. Die kinderen, waar jij nu je hand omheen hebt, die heten Boordradio, Kuiltje, Contrapunt, Schuifbek en Zuiver. Ze wilden heel graag naar buiten, uit hun moeder, maar nu niet meer, Bert. Heb je zelf kinderen? Nou, dan hoef ik je verder niks te vertellen. Deze vis heet Bep, want ze is heel gewoon gebleven. Ze zal sterven met kinderen in haar buik. Even lachen, Bert.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden