Column Martin Sommer

Dit is het kabinet van de akkoordenziekte en het bijzondere is dat ze er nog trots op zijn ook

De polder is een veel groter bestuursprobleem dan de gekozen burgemeester.

Staatssecretaris Paul Blokhuis presenteerde zijn preventieakkoord met enig poeha. We gaan minder roken, minder drinken, gezonder eten. Een pakje sigaretten gaat 10 euro kosten en krijgt een nare, saaie groene kleur. Betuttelend? Er is brede steun, aldus de staatssecretaris. ‘We gunnen iedereen het geluk.’

Over staatspaternalisme en betutteling is de afgelopen dagen genoeg geklaagd. Mij gaat het om die brede steun. Zeventig organisaties hebben het preventieakkoord getekend. Zeventig! Dat ging van patiëntenorganisaties tot zorgaanbieders, verzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en bonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Alleen de tabaksindustrie mocht niet meedoen, en zoals een collega opmerkte, wie niet aan tafel zit, staat op het menu. Vandaar de harde antirookstemming.

Iets dergelijks gaat op voor de klimaattafels van Ed Nijpels. Daar mochten de boze burgers die geen windmolen in hun achtertuin willen, niet aanschuiven. Zij zijn dus de sigaar. Zo werkt besturen anno 2018, want dit zijn nog maar twee akkoorden, van de tien die ik in het regeerakkoord heb geturfd. Dit is het kabinet van de akkoordenziekte en het bijzondere is dat ze er nog trots op zijn ook.

Tegenwoordig spreekt men van regeren in samenspraak met de maatschappelijke organisaties. Voorheen had men het over het middenveld. Die term raakte uit de gratie sinds directeuren van woningcorporaties en colleges van bestuur met de Maserati kwamen voorrijden. De slotsom luidde toen dat het middenveld de wortels in de samenleving kwijt was. Kennelijk heeft dat het enthousiasme toch niet kunnen drukken. Wij maken ons druk over de gekozen burgemeester, maar het echte bestuursprobleem heet de polder.

Want hoe gaat georganiseerd Nederland ons gelukkig maken? Bijna veertig jaar geleden schreef Hans Achterhuis, nog altijd gewaardeerd medewerker van deze krant, zijn boek De markt van welzijn en geluk. Hij was niet de enige of zelfs de eerste die kritiek leverde op de belanghebbenden die zich opwierpen als de hoeders van het algemeen nut. Een jaar eerder, in 1978, publiceerden de sociologen J.A.A. van Doorn en Kees Schuyt hun boek De stagnerende verzorgingsstaat.

Daarin toonden ze aan dat de verzorgingsstaat onhoudbaar werd, juist door de uitbesteding van beleid die nu als oplossing voor alle kwalen wordt gepropageerd. De verzorgingsstaat kenmerkte zich door explosieve kostenstijgingen. De dominantie van deskundigen ondergroef de positie van de ‘leken’ van het openbaar bestuur. Om de subsidiestroom te waarborgen was het nodig ‘rond de centrale overheid een toestand van vreedzaam maar hardnekkig beleg in stand te houden, present te zijn in de vele advies- en overlegorganen en de weg te weten in het ambtelijk apparaat’.

Dat was 1978, maar het lijkt allemaal sprekend op het akkoordengedoe van nu. De klimaattafels voorop natuurlijk. Premier Rutte heeft het over de grootste verbouwing van Nederland sinds de oorlog. Ook hier koerst men rap richting onbetaalbaarheid. Opnieuw de adviseurs en de connaisseurs, de gemeenten, de klimaatwetenschappers en de fijnstofonderzoekers, de warmtepompkoepelaars en de juristen die allemaal een stuk van de taart willen. Alles in het algemeen belang natuurlijk.

Van Doorn en Schuyt waren wetenschappelijke zwaargewichten. Hun kritiek werd ernstig genomen. Even verderop in het boek suggereren ze als oplossing voor de onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat het terugdringen van de experts en de maatschappelijke organisaties. Ze dankten die gedachte aan Ivan Illich, héél erg links, die de opvatting huldigde dat deskundigheid en bureaucratie de neiging hebben zichzelf steeds breder te maken.

Illich sprak van ‘ontscholing’ en ‘ontmedicalisering’ omdat de door deskundigen bemande instellingen naar zijn smaak de belangrijkste repressieve krachten in de moderne maatschappij waren. Dat vonden Van Doorn en Schuyt wat al te kras, maar in gematigde vorm waren ze het zeker eens met ‘een beleid dat minder geloof hecht aan bestaande deskundigheidsformules’. Het duurde nog even, maar toen zette Lubbers het mes in de markt van welzijn en geluk.

Waar zijn de hedendaagse Van Doorn en Schuyt? Tegenwoordig is kritiek op experts een uitgesproken symptoom van populisme geworden, en dus zeer ongepast. De wetenschap is scheidsrechter in het klimaatdebat, en niemand die erop wijst hoezeer dat de positie van het ‘lekenbestuur’ ondergraaft. Ambtenaren wachten af waar de klimaattafels van Nijpels mee komen. Het parlement rest niet veel meer dan er ‘een klap op te geven’.

De politiek is in vergelijking met 1978 geweldig verzwakt. We hebben een vierpartijencoalitie waarvan de samenstellende delen hun onenigheid etaleren, om nog iets van herkenbaarheid te houden. Politiek draagvlak is uitbesteed aan ‘de georganiseerde samenleving’. Dit versterkt de macht van wat Van Doorn en Schuyt ‘de ijzeren ring van de instituties’ noemden alleen maar meer.

Staatssecretaris Blokhuis wees op de ‘brede steun’ voor zijn preventieakkoord. Daarmee overschreeuwde hij zijn onzekerheid, net als met de mededeling dat ‘we iedereen het geluk gunnen’. Een overheid die mij het geluk gunt, daar word ik al knap nerveus van. Maar als een combinatie van voedingsindustrie en verzekeraars zich om mijn geluk bekreunen, dan ga ik op zoek naar de uitgang.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.