OPINIESTAATSRECHT

Digitale vergaderingen in de politiek zijn in strijd met onze Grondwet

De Raad van State meent dat in de coronacrisis kan worden afgeweken van de vergaderorde in het parlement. Dat is onjuist, meent hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht Douwe Jan Elzinga.

Minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (CDA) en Premier Mark Rutte tijdens het wekelijkse debat over de coronacrisis.Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

De Raad van State heeft in een voorlichting geoordeeld dat onder deze bijzondere corona-omstandigheden de Tweede en Eerste Kamer digitaal kunnen beraadslagen en besluiten, maar ook dat mengvormen van digitaal en fysiek vergaderen in overeenstemming zijn met de Grondwet. Dit is een vergaande, uiterst ongelukkige en staatsrechtelijke onaanvaardbare voorstelling van zaken. Diverse staatsrechtelijke beginselen zijn hierbij in het geding, waardoor het oordeel de toets der kritiek niet kan doorstaan.

De Raad is van oordeel dat een specifieke grondslag − zoals die in de Tijdelijke wet digitaal vergaderen en besluiten voor provincies, gemeenten etcetera is neergelegd − voor beide Kamers niet nodig is. Dat is bijzonder, want door een wel erg vrijmoedige en betwistbare uitleg van de Grondwet wordt het grondwettelijke recht, zoals dat in staatsrechtelijke kringen heet, ‘caoutchoucrecht’. Dat is recht dat nauwelijks nog betekenis heeft omdat men er alle kanten mee op kan, en daardoor een soort ‘wegwerprecht’ wordt. De Raad van State schept bovendien nieuwe constitutionele normen en dat is − zoals ook mijn collega Wim Voermans betoogt − niet zijn bevoegdheid. En het patroon dat word geschetst, haalt vervolgens ook enkele basisprincipes van de Tijdelijke wet voor decentrale overheden onderuit.

Waarborgen

Wat is het geval? De Raad van State geeft in eerste instantie in een zorgvuldig opgebouwd betoog als oordeel dat het fysiek vergaderen, openbaarheid van beraadslaging en stemming en het fysiek vorm geven aan de quorumregeling belangrijke waarborgen zijn, waar niet gemakkelijk van kan worden afgeweken. Maar dan aan het slot van betoog verdwijnen deze waarborgen ineens, omdat het onder deze bijzondere omstandigheden zou zijn toegestaan om zonder specifieke grondslag de fysieke vergadering en de annexe quorumeisen te vervangen door digitale varianten van allerlei aard en soort.

Samen met de Leidse collega Geerten Boogaard was ik betrokken bij de totstandkoming van de Tijdelijke wet voor de decentrale overheden van minister Knops en we zijn eveneens betrokken bij de staatsrechtelijke evaluatie van deze wet tijdens de gelding en na afloop. In de Tijdelijke wet geldt als principe dat digitaal vergaderen en stemmen mogelijk wordt gemaakt en dat ook dan digitaal aan de quo-

rumeis vorm en inhoud kan worden gegeven. Om gelijkheid van posities te scheppen, is dan cruciaal dat alle volksvertegenwoordigers digitaal gaan. En mengvormen waarbij een deel van de volksvertegenwoordigers digitaal gaat en anderen − zoals woordvoerders of fractievoorzitters − fysiek vergaderen en stemmen is met de Tijdelijke wet in strijd.

Ongelijkheid

Fysiek vergaderen is het meerdere en digitaal vergaderen het mindere en door ongelijkheid tussen de deelnemers toe te passen wordt een niet aanvaardbaar onderscheid gemaakt. Maar om een nog heel andere staatsrechtelijke reden zijn deze mengvormen staatsrechtelijk onaanvaardbaar, want het kan leiden tot een vergaande en niet wenselijke collectivering van de beraadslaging en de besluitvorming. Het vrij mandaat van volksvertegenwoordigers brengt met zich mee dat onder alle omstandigheden er een gelijke mogelijkheid moet zijn om een eigen oordeel in te brengen, zowel bij de beraadslaging als bij de stemming. Indien nu digitaal en dus op afstand aan het quorumvereiste kan worden voldaan, is dat een soort machtiging voor woordvoerders en/of fractievoorzitters om in de fysieke vergadering te beraadslagen en te stemmen namens de fractie.

Het vormt een sterke stimulans voor binding aan het collectief. Door zich digitaal aanwezig te melden, levert de individuele volksvertegenwoordiger zich uit aan de fractie-inbreng die door de woordvoerder of de fractievoorzitter in de fysieke vergadering van beperkte omvang wordt ingebracht. En dat geldt natuurlijk vooral indien er fysiek wordt vergaderd door enkelen en er geen digitale betrokkenheid is van andere Kamerleden. Wordt er door allen digitaal vergaderd en door allen digitale aanwezigheid gemeld, dan zijn deze onwenselijke vormen van collectivering niet of veel minder sterk aanwezig.

Onvrijwillig

De Grondwet geeft een scherp profiel aan de positie van de individuele volksvertegenwoordiger, hoezeer ook in de praktijk de fractielijn overwegend wordt gevolgd. Die binding is echter dan een vrijwillige, en dat is bij de patronen die de Raad van State nu toelaat en zelfs propageert niet het geval. Het is onbegrijpelijk dat de Raad van State zo gemakkelijk deze grondwettelijke waarde over het hoofd ziet en wegpoetst.

De voorlichting door de Raad is maar een advies en de Kamers hebben alle gelegenheid om daarvan af te wijken. Beter ten halve gekeerd, dan ten hele staatsrechtelijk gedwaald. En bovendien is het van groot belang dat de zorgvuldig opgebouwde lijn in de Tijdelijke wet niet wordt doorbroken door een nationale praktijk die een geheel andere is dan het patroon dat voor de decentrale overheden van toepassing is, want in dat geval is er in provincies en gemeenten ook geen touw meer aan vast te knopen.

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden