Opinie

Democratie kun je leren, thuis en op school

Ouders en school kunnen tegenwicht bieden aan haatzaaiers door te oefenen in conflictoplossing.

De Vreedzame School is een programma dat op zo'n 650 basisscholen in Nederland is ingevoerd. In alle groepen van de basisschool wordt geoefend met competenties als conflictoplossing, openstaan voor verschillen, verantwoordelijkheid nemen voor de gemeenschap en leren samen besluiten te nemen.Beeld Arie Kievit

Wat doet een docent van groep 7 die tijdens een Facebookproject ontdekt dat een aantal kinderen IS-onthoofdingsfilmpjes aan het 'liken' is? Hoe reageert een leraar in het voortgezet onderwijs als tijdens een klassengesprek over de aanslagen in Parijs een groepje leerlingen bij hoog en bij laag volhoudt dat het allemaal een westers complot tegen de islam is? Het zijn échte kwesties die momenteel op veel scholen aan de orde van de dag zijn, en die - net als in 2004 na de moord op Theo van Gogh - veel emoties en handelingsverlegenheid oproepen.

Waar en van wie leren kinderen en jongeren wat het betekent om te leven in een democratie? Waar leren zij hoe je op een goede manier samen besluiten neemt, meningsverschillen kan overbruggen en hoe je conflicten op een vreedzame wijze oplost? Waar leren zij kritisch nadenken over informatie op sociale media? Waar leren zij verantwoordelijkheid dragen voor de gemeenschap waartoe ze behoren, zich in te leven in anderen, en open te staan voor verschillen tussen mensen? We hopen natuurlijk dat ouders dit met hun kinderen bespreken, maar welke bijdrage levert de school?

Het goede nieuws is dat er op veel scholen in Nederland al heel wat aan burgerschapsvorming wordt gedaan. Zelf zijn we als ontwikkelaar en onderzoeker betrokken bij De Vreedzame School, een programma dat op zo'n 650 basisscholen in Nederland is ingevoerd. In alle groepen van de basisschool wordt acht jaar lang elke week geoefend met competenties als conflictoplossing, openstaan voor verschillen, verantwoordelijkheid nemen voor de gemeenschap en leren samen besluiten te nemen. Zo leren kinderen al doende wat het betekent om in een democratie te leven.

Beweren wij nu dat burgerschapsvorming op school dé oplossing is voor het probleem van het radicalisme? Natuurlijk niet, het is weliswaar een belangrijke basis die tegenwicht kan bieden aan radicalisme, geweld en antidemocratische sentimenten, maar er is wel veel meer nodig dan dat.

In sommige wijken in ons land wordt de school door kinderen gezien als vertegenwoordiger van 'het Westen', als een 'vijand' van de islam. Hoewel er natuurlijk positieve uitzonderingen zijn, voeren docenten op veel scholen geen gesprekken meer met hun leerlingen (of hun ouders) over deze gevoelige onderwerpen. Leerkrachten vertellen ons dat ze geen raad weten met het 'liken' van onthoofdingsvideo's, complottheorieën of soms zelfs verwensingen die leerlingen uitspreken ('de juf moet ook dood, want zij is geen goede moslim').

Vlak na de aanslagen in Parijs voerde een leerkracht op een basisschool een gesprek met zijn voornamelijk islamitische leerlingen. Een meisje zei dat Charlie Hebdo een racistisch blad is en dat de slachtoffers daarom de aanslag verdienden. 'Ik zou het ook doen', zei ze heel beslist. De docent was geschokt door haar uitspraak. 'Zij mag dat vinden, maar ik vind het heftig, het raakte me emotioneel. Om die reden heb ik haar vader gevraagd op school te komen. Ik vond dat haar ouders moesten weten hoe hun dochter dacht en welke uitspraken ze deed. Het gevolg was dat hij met zijn dochter over haar standpunt heeft gesproken, en haar met de Koran erbij heeft uitgelegd dat geweld niet de weg is van de islam.'

Het tegengaan van radicalisering vereist een sterk pedagogisch tegenwicht, en dus ook moreel gezag. In een migratiesamenleving wordt dat gezag voor veel jongeren niet meer automatisch door hun ouders vertegenwoordigd, en ook niet als vanzelfsprekend door de school. Ouders beschikken vaak niet over dezelfde internet-informatie die kinderen wél hebben, scholen worden door sommigen als vertegenwoordiger van het perverse Westen gezien. Dat is precies de reden waarom ouders, scholen en andere opvoeders (imams, jongerenwerkers) in dezen niet zonder elkaar kunnen. De aangewezen manier om met moreel gezag tegenwicht te bieden aan de invloed van haatzaaiers en gewelds-predikers is een offensief van al die opvoeders: ouders die kinderen humaniteit en respect voor diversiteit bijbrengen, scholen die hun leerlingen de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat in de praktijk leren brengen, hulpverleners en geestelijke raadslieden die belangrijke verbindingsfiguren voor jongeren kunnen zijn als de relaties met ouders en school moeizaam verlopen.

En tenslotte: waarom maken we geen ruimte in het curriculum van scholen voor het onderwijzen van de mechanismen van radicalisering en rekrutering en de rol die de vervreemde leerling daarin vervult?

In Engeland laat het Children's Resilience Programme zien dat scholen zo het verschil kunnen maken tegen radicalisering. Niet met als eerste doel het veiliger maken van onze samenleving, evenmin om kinderen terecht te wijzen als hun ideeën afwijkend zijn, maar om met hen te werken aan de vorming van jonge, verantwoordelijke burgers met eigen idealen. Dat telt, minstens zoveel als een rekentoets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden