Column Sylvia Witteman

De versleten wieg boezemde me angst in, maar nóg griezeliger vond ik het beroep vlasbraker

‘Een kinderboek moet aansluiten bij de belevingswereld van het kind’; je hoort het zó vaak dat je het nog haast zou geloven ook. Maar in feite is het omgekeerde waar: een goed kinderboek laat een kind juist vaak kennismaken met een wereld die hem totaal onbekend is. De meeste kinderen zijn in werkelijkheid immers geen scheepsjongen, verschoppeling, schoorsteenveger of prinses, ze kunnen niet vliegen of praten met dieren, ze krijgen geen chocoladefabriek cadeau, en ook leven de meeste kinderen niet in een doodarm Fries arbeidersgezin aan het eind van de 19de eeuw.

Afke’s tiental, dus. Alleen al dat begin, met de geboorte van het tiende kindje: ‘Het arme kleine ding. Het kon geen wiegje krijgen. De oude wieg was totaal versleten, en voor een nieuwe had moeder geen geld. Het was al moeilijk genoeg om rond te komen, en al die hongerige mondjes elke dag tenminste gedeeltelijk te verzadigen.’

Toen ik dit voor het eerst las, was ik zelf nog klein, ik denk een jaar of 6. Ik vond het een mooi boek. Gek genoeg verbaasde ik me niet over de armoede waar het gezin in leefde, of over het feit dat ze tien kinderen hadden, of dat ze hun kachel stookten met turf (ik had – en heb – nog nooit een turf gezien, maar het spul kwam in zóveel boeken voor dat ik onze eigen gaskachel een raar modern ding begon te vinden) maar het verslijten van een wieg ging mijn voorstellingsvermogen te boven. Hoe verslijt een baby een wieg? Ok, het waren er in Afke’s geval tien, maar dan nog: een baby ligt in zo’n ding alleen maar te slapen of een beetje voor zich uit te kijken, nietwaar? Of waren Afke’s baby’s woestelingen die met scherpe tanden hun eigen bedje kapot knaagden?

Die versleten wieg boezemde me angst in, maar nóg griezeliger vond ik het beroep van Afke’s man: vlasbraker. Van wat vlas was, had ik wel een vaag besef, een soort stro, maar braken was in mijn belevingswereld wat mijn moeder ‘overgeven’ noemde, en ruwe lieden ‘kotsen’. Telkens was er sprake van dat heit ‘aan het werk was in het braakhok’, en ik zag dan levendig voor me hoe die man daar hele dagen in een hok stro stond te kotsen. Vlasbraken was zwaar, stoffig werk, las ik meermaals, en inderdaad kon ik me dat goed voorstellen.

Heel akelig allemaal, en daarna moest ik de scène waarin Jetse zijn lekkere boterham met ‘fijngewreven aardappel’ opeet wel drie keer overlezen om weer een beetje te kalmeren. Of de scène waarin Klaas een lekker warme rok voor zijn moeder koopt van het geld dat hij jarenlang heeft gespaard, centje voor centje, van zijn looprondes met de petroleumkan. (Ook die petroleumkan begreep ik niet. Of dat een rok warm kon zijn. Ik kende alleen maar minirokken.)

Een halve eeuw later is zowat alles in Afke’s tiental me wel zo’n beetje duidelijk (al blijf ik die versleten wieg raar vinden) behalve dat vlasbraken. Het is geen kotsen, uiteraard, maar wat dan wel? Ik besloot het op te zoeken en stond al spoedig tot mijn oren in het vlas. Vlasverwerking, zo leerde ik, gaat gepaard met handelingen als ‘keerrepelen’, ‘dauwroten’, ‘brakelen’ en ‘zwingelen’, er is sprake van ‘klodde’, ‘hekelband’, ‘lokkengaren’, ‘zwikkelkoten’, een ‘zwingelspaan’ en een ‘zwingelberd’. Vlas kan een ziekte krijgen die ‘vlasbrand’ heet, en de vlasbewerkers leden vaak aan ‘vlaskoorts’ of een longaandoening die ‘de stofbuk’ heet.

Wat vlasbraken is, begrijp ik nog steeds niet helemaal.

Maar dat je er de stofbuk van krijgt verbaast me niks.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden