Column Erdal Balci

De uitvaart in de moskee had mij treurig gemaakt, vooral de wrede wijze waarop vrouwen er werden weggerukt van de laatste momenten met hun man

Ik ging naar de moskee om afscheid te nemen van een man met wie ik als kind op dezelfde taalschool had gezeten. Onder leiding van de imam volbracht de mannelijke massa de rituelen, de kist met mijn vriend erin stond voor ons, de lieve vrouw en dochter van de overleden man waren weggestopt tussen de andere vrouwen in een ruimte ernaast. Men sprak zachtjes de preken uit en, net zoals in mijn kindertijd, bewoog ik eerst wat met mijn lippen, omdat ik geen preken ken, en beëindigde ik het ­geprevel met de woorden dat mijn vriend een lief mens was geweest.

Na afloop van het gebed kwam de vrouw van de overledene nog even bij de deuropening staan tussen de grote ruimte voor de mannen en de kleinere plek voor de vrouwen. Waarschijnlijk was ze gedreven door de diepe wens toch nog een glimp op te vangen van het beeld van hoe haar diepgelovige geliefde onder begeleiding van de imam de moskee werd uitgedragen. Alleen de mannelijke familie, vrienden, kennissen en vage kennissen mochten de lijkkist nog een laatste keer strelen.

Ik aaide het houtwerk ook, als was het het haar van die 11-jarige jongen die zo lang geleden bij mij in de klas had gezeten. Samen hadden we in nood verkeerd, in dat eerste jaar van ons in Nederland. De juf tegen ons: ‘ui, ui… niet au. Ruuuuiilen… niet raulen’. Bang openden we opnieuw onze kindermonden met nu hopelijk de juiste afstand tussen de boven- en onderlip, in de hoop dat de gewenste uitspraak van die verschrikkelijke uien en truien er misschien deze keer wel goed uit rolde.

Destijds de wangen van de lieve jongen, zo warm als de gele grond van het dorp waar hij vandaan komt. Nu in de lijkkist, veel te jong geveld door de afschuwelijke ziekte, met de kou van de dood op zijn ingevallen wangen en de nimmer aflatende sneeuw van het onrecht op de hoofddoeken van zijn vrouw en zijn dochter.

De lieve echtgenote stond nog steeds bij de deuropening, de deuropening als de mond van een monster dat iedereen die om rechtvaardigheid wilde vragen dreigde te verslinden. Ik condoleerde haar en maakte daarbij een lichte hoofd­buiging. Zou ze het erg hebben ­gevonden dat zij, de dierbaarste ­persoon in het leven van mijn vriend, op het moment van het allerlaatste afscheid niet eens het gebed mocht bijwonen... Ik vroeg me af wat er omging in de hoofden van die naar de inferieure ruimte verbannen vrouwen. Was in één van die hoofden tenminste het besef dat er iets niet klopte aan deze situatie? Of is vijftig jaar ­leven in de moderniteit van Nederland slechts een druppel op de ­verzengende plaat van de religie?

Ik fietste terug naar huis, het beeld van de vrouwen in de moskee liet mij niet los. Een handeling of een gebeurtenis is in de ogen van de mens goed als die daarin de rechtvaardiging herkent voor de plek die hij inneemt in deze wereld. De uitvaart in de moskee had mij treurig gemaakt, meer vanwege de wrede wijze waarop de vrouwen er werden weggerukt van de laatste momenten met hun man, vader, broer, neef of vriend dan door het verlies van een vriend.

Door de uitvaart daar mee te maken, door er een onderdeel van te worden en vooral door mijn mond te houden, had ik min of meer verraad gepleegd aan het principe dat ik op een zo eerlijk mogelijke wijze een plek wil innemen in deze wereld. Want het alternatief is het sluiten van compromissen met het ‘slechte’, een pad dat op den duur leidt tot een onrechtmatig bestaan in dit korte leven.

Ook de dagen erna moest ik vaak denken aan de vrouwen in de ­moskee. Want die lieve, rouwende mevrouw stond daar in de deur­opening niet alleen om in alle stilte het onrecht uit te schreeuwen dat haar was aangedaan, maar ook een beetje om mij te confronteren met de naderende dood van mijn ernstig zieke ouders. Zouden ze mijn zus, die meer dan tien jaar voor vader en moeder zorgt, hen wast, voedt, naar de dokter brengt en eigenlijk een ­engel zelve is, ook in zo’n deuropening willen laten staan?

Als familie zijn we gewend aan de sneeuw. Hoe je de wegen, de daken, de tuin en de straten schoonveegt, daar hebben we ook ervaring mee, beste mensen. Wacht maar. 

Erdal Balci is schrijver en journalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden