De stadsschool: een remedie tegen segregatie

Zorg dat kinderen vaker mengen die uit ander sociaal milieu

Uitwisseling tussen groepen leerlingen werkt alleen als hun veiligheid en identiteit niet in het geding zijn.

Micha de Winter: 'De bedoeling van de stadsschool is om op structurele basis uitwisseling te creëren tussen groepen leerlingen die elkaar in de huidige samenleving niet vanzelf meer tegenkomen.' Foto Mike Roelofs / de Volkskrant

Ook scholieren leven steeds meer in hun eigen bubbels. Kinderen die opgroeien in well-to-do wijken als het Haagse Benoordenhout of het Utrechtse Tuindorp hebben een zeer geringe kans om in contact te komen met hun leeftijdgenoten aan de andere kant van de weg of de spoorlijn: de Schilderswijk of Overvecht waar achterstand troef is.

Het basisonderwijs is inmiddels al net zo gesegregeerd naar kleur en opleidingsniveau als de wijken waarin de scholen staan, en ook in het voortgezet onderwijs vindt een steeds sterkere scheiding plaats: brede scholengemeenschappen met gemengde populaties verdwijnen, en daarvoor in de plaats komen categorale scholen waarin leerlingen juist naar niveau en vaak ook sociaal milieu zijn onderverdeeld.

Is het erg als ouders ervoor kiezen hun kinderen op een school te doen waar ze zich veilig voelen, niet gediscrimineerd, kortom met 'hun soort mensen'? Of is het juist heel onwenselijk als kinderen vanuit verschillende segmenten van de samenleving elkaar niet meer ontmoeten? Voor beide perspectieven is wat te zeggen.

Sociologen maken vaak een onderscheid tussen twee soorten bindingen die sociaal kapitaal opleveren: bonding en bridging. Bonding staat voor de verbinding tussen mensen die zich in elkaar herkennen (wij christenen, Nederlanders, Marokkanen, hoogopgeleiden, etc.). Bridging gaat letterlijk om het overbruggen van afstand tussen mensen die tot verschillende groepen behoren, bijvoorbeeld wanneer oorspronkelijke bewoners zich inzetten voor vluchtelingen of migranten.

Bonding hebben mensen nodig om zich thuis te voelen, en kan bijdragen aan maatschappelijke emancipatie van achterstandsgroepen. Maar tegelijkertijd kan een te sterke gerichtheid op de eigen groep ook mensen in hun achterstanden 'bevriezen'. Daarom zijn ook dwarsverbindingen nodig: enerzijds om maatschappelijke kansen van achterstandsgroepen te vergroten, anderzijds om een samenleving leefbaar te houden.

Vooral dit laatste aspect is veel onderzocht. Wat vertelt ons deze wetenschap nu? In de eerste plaats weten we één ding zeker: als mensen niet met elkaar in contact komen, elkaars manier van leven of opvattingen alleen maar kennen van horen zeggen, dan is dat dé voedingsbodem voor vooroordeel en haat. Gelukkig wil een grote meerderheid van de Nederlanders dat kinderen zonder angst en met respect voor anderen moeten kunnen opgroeien.

In de tweede plaats moeten we er bij het zoeken naar oplossingen voor zorgen dat we het kind niet met het badwater weggooien: mensen hebben nu eenmaal ook de primaire behoefte aan de veiligheid van een groep. In zo'n groep, zo laat bijvoorbeeld de etholoog Frans de Waal zien in zijn onderzoek bij primaten, ontstaan ook morele emoties en gedrag zoals empathie, sympathie, compassie met zwakkeren, en onderlinge solidariteit.

Het geforceerd mengen van scholen en wijken helpt uiteindelijk niet om segregatie tegen te gaan: mensen houden de vrijwel zeker aangeboren neiging tot in- en uitsluiting op basis van verwantschapsgevoelens van allerlei aard.

Maar in de derde plaats laat ruim 50 jaar experimenteel onderzoek ons overtuigend zien dat we niet hoeven te berusten in een samenleving die steeds verder segregeert: er zijn interventies denkbaar die daar met succes een antwoord op kunnen geven. De noodzaak daartoe kunnen we om ons heen zien: onze primitieve, biologisch verankerde neiging tot uitsluiting en verkettering van de ander lijkt het steeds vaker te winnen van ons ándere aangeboren talent, namelijk tot inlevingsvermogen en mededogen.

Om er voor te zorgen dat kinderen zich kunnen ontwikkelen in een veilige gemeenschap, maar tegelijkertijd al doende kunnen leren de brug met anderen over te steken, kunnen we denken aan een nieuw arrangement in het onderwijs dat ik aanduid met het begrip 'stadsschool'.

De bedoeling is om op structurele, niet vrijblijvende basis uitwisseling te creëren tussen groepen leerlingen die elkaar in de huidige samenleving niet vanzelf meer tegenkomen. Laten we zeggen dat leerlingen uit school x eenmaal per maand samen met leeftijdgenoten van school y samen les krijgen, bijvoorbeeld in geschiedenis, Engels, muziek of burgerschap, dus een vak uit het bestaande curriculum.

De ervaring met bestaande uitwisselingsprogramma's leert dat ouders een cruciale rol spelen: met hén moet niet alleen gesproken worden over het grote persoonlijke en maatschappelijke belang dat er aan samenscholen verbonden is, maar vooral ook over de manier waarop de samenwerkende scholen vormgeven aan de hiervoor genoemde voorwaarden.

Pas als ouders ervan overtuigd zijn dat de veiligheid en identiteit van hun kinderen niet in het geding zijn, kunnen ze de stadsschool als een duidelijke winst gaan zien.

Micha de Winter is hoogleraar Pedagogiek aan de Universiteit Utrecht en lector Jeugd aan de Hogeschool Utrecht.