Column Sylvia Witteman

De schrijver van Ciske de Rat zou zeggen dat Amsterdam krankzinnig is geworden

Beeld de Volkskrant

Een lezer stuurde mij de Ciske de Rat-trilogie op, een fideel en ook nuttig gebaar, want de Ciske uit het boek is in 1984 ruw uit mijn herinnering verdrongen door de toen 13-jarige Danny de Munk uit de film. Ook bij herlezing kreeg ik Danny niet weg, met zijn jaren 80-kapseltje: grappig toch, of een film nu in de middeleeuwen speelt, in het heden of in de toekomst, je kunt altijd aan de kleren en haren zien wanneer die film gedraaid is.

Ik legde Ciske maar weer opzij. De vriendelijke lezer had ook nog een toegift meegestuurd: Jeugd in de Pijp, de memoires van Ciske-auteur Piet Bakker, uit 1946. Bakker zelf stamt uit 1897, en bracht zijn jeugd dus rond de eeuwwisseling door in de Amsterdamse Pijp, in zogeheten ‘nette armoede’: de kinderen hadden (vele malen opgelapte) schoenen aan hun voeten, kregen één keer in de week een stukje vlees, en bewoonden met het hele gezin een éénkamerwoning in de Pijp, dat wil zeggen, ze woonden vooral in de keuken, want ‘dat spaarde licht, kolen en meubels. Dat was een ruimte van 4 bij 2 meter en daar moest dan nog het aanrecht af. Ja... nu ruik ik onze keuken weer, als het waschdag was en de damp uit de tobbe het water bij straaltjes langs de fletsgrijs gepleisterde wanden liet druipen. Ik zie weer het fornuis, waarop de waschdagmaaltijd, capucijners en havermout toe, de atmosfeer nog wat klammer en kleffer stond te maken.’

Dus, betoogt Bakker: ‘Ik ben er voor, dat heel die Pijp met zijn voor-en achterwoningen, alkoven en woonkeukens met de grond gelijk wordt gemaakt.Wij moeten nooit vergeten dat die buurten afzichtelijke monumenten zijn uit een tijd toen het liberale ‘Laissez faire, laissez aller’ gold, hetgeen vrij, doch juist vertaald wil zeggen: ‘Laat mij zooveel mogelijk verdienen en laat een ander verkommeren.’

Klare taal. Maar opvallender is dat Bakker zich niet alleen opwindt over de bekrompen afmetingen en ongezonde atmosfeer in die arbeiderswoninkjes, maar vooral ook over de lelijkheid van die toenmalige nieuwbouw: ‘De huisjesmelkende aannemers timmerden een aantal buurten in elkaar, zóó schreeuwend lelijk, dat de Pijp slechts met de grootste moeite den eere-palm der voleindigde ordinairheid kon wegdragen. De geulen tusschen de menschenpakhuizen, die uitmonden in de Ferdinand Bolstraat, komt het summa cum laude voor karakterloozen volksbouw toe.’

En: ‘Van alle Pijpstraten is de Govert Flinck de schrikbarendste.’

Ik moest hardop lachen, want ik dacht terug aan 1997. Ik was zwanger van mijn eerste kind en wilde een huis kopen. Dat laatste was ook toen al niet eenvoudig in Amsterdam, als je niet steenrijk was. De prijzen stegen en stegen, en zodra er een huis te koop stond, werd het voor je neus weggekocht door ­iemand die boven de vraagprijs bood. Net als nu, eigenlijk.

Ik ging een huis bekijken in die ‘schrikbarende’ Govert Flinck. Een bovenhuis. Vraagprijs 380.000 gulden. Gúlden, hè. Ik vond het een leuk huis, maar onbetaalbaar.

Mijn ouders hadden 60.000 gulden betaald voor een heel huis in Overveen (toegegeven, een krot waar de paddestoelen uit de plinten groeiden, maar toch). 380.000 gulden voor een bovenhuis; dit was inderdaad ‘gekte op de huizenmarkt’, en daar deed ik niet aan mee. Ik kocht het huis niet. Ik kocht helemáál geen huis. Ik was toch zeker niet gek?

Zo’n zelfde bovenhuis in die ‘schrikbarende’ Govert Flinck kost inmiddels een miljoen euro.

Arme Piet Bakker, hij zou zeggen dat Amsterdam krankzinnig is geworden. En dat is ook zo.

Maar goed, ik was dus wél gek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden