De poëzie wordt niet gekaapt door een elitaire club; je vindt het op iedere straathoek

Volgens Ingmar Heytze vergaat het de dichtkunst veel beter dan Kees 't Hart suggereert

Het gaat goed met de poëzie zolang je verder kijkt dan die zelfverklaarde eredivisie.

Kees 't Hart, als bovenste op de trap, samen met de andere genomineerden voor de 22e Libris Literatuur Prijs in 2015. Beeld anp

Deze week tekende John Schoorl uit de mond van Kees 't Hart, eveneens dichter, op: 'Er is geen debat, er is alleen een vast jargon, er is een vaste toon, een vaste club, er is een vaste burcht en een vaste god die Poëzie heet en die een walmende geur verspreidt van grote en ellendige vanzelfsprekendheid.'

Het citaat kwam me bekend voor. Een kleine zoektocht wees uit dat Kees 't Hart in 2006 precies hetzelfde heeft gezegd in een interview met Trouw. Hij zei het in datzelfde jaar in een stuk dat hij voor De Groene schreef. Voor alle zekerheid zei hij het nog eens in 2011, bij een bundelpresentatie van een collega, en wie weet waar nog meer.

Met 'precies' bedoel ik: exact hetzelfde, tot de komma's en de punt aan toe. Kennelijk zat dit hem twaalf jaar geleden al hoog, en vindt hij bovendien dat er niets veranderd is. Eigenlijk is het zijn persoonlijke variant van de quote die de Romeinse senator Cato al meer dan tweeduizend jaar heeft overleefd: 'Overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden.'

Kees 't Hart gooit zijn aanklacht er af en toe weer eens in, als een soort running gag. Kijken of iemand het merkt als-ie het gewoon nog een keer zegt. Lachen. Op de computer van Kees druk je gewoon op alt+p en daar staat die powerquote weer op het scherm. Een T-shirt is in de maak.

Heeft hij gelijk?

De vraag is natuurlijk: heeft hij gelijk? In 2006 wel, denk ik. En deels heeft hij dat nog steeds. Maar zijn gelijk wordt wel steeds beperkter. Het relatief kleine deel van de Nederlandse dichters dat door uitgevers en door de dichters zelf als de eredivisie wordt beschouwd, wordt namelijk steeds minder belangrijk voor iedereen daaromheen. Inmiddels zijn er zoveel dichters en aan poëzie gerelateerde woordkunstenaars bijgekomen, dat ik me afvraag hoe lang dat clubje nog zal worden versleten voor het enige belangrijke dat Nederland aan dichtkunst te bieden heeft.

Inmiddels vind je poëzie namelijk letterlijk op elke straathoek - sla het onderzoeksrapport Poëzie in Nederland uit 2017 van Kila van der Starre er bijvoorbeeld maar eens op na. Om die ene burcht ligt inmiddels een hele stad van aanstormend talent, slamveteranen, spoken-wordkunstenaars, hiphoppers, cabaretiers, bloggers, vloggers, hipster-huisdrukkers en andere taalsmeden die misschien geen Amsterdamse uitgever hebben, maar ook geen zin om bij die elite te horen. Waarom zouden ze? Ze komen er toch niet tussen. En al zou het ze lukken, er valt toch niets voor ze te halen.

Prestigieus personeelsfeestje

Donderdagavond vindt de uitreiking van de laatste VSB Poëzieprijs plaats. Dan trekt het VSBfonds de stekker uit het meest prestigieuze personeelsfeestje van de poëzie, waar veel van de dichters zullen rondlopen waar Kees 't Hart het over heeft.

Ik ben een paar keer naar die prijsuitreiking geweest, ik heb de plechtigheid zelfs een of twee keer aan elkaar mogen praten. En ik had inderdaad wel het gevoel dat ik in de vaste burcht van de poëzie was beland. Ik ervoer alleen geen 'grote en ellendige vanzelfsprekendheid'. Hooguit was ik het ene jaar gelukkiger met de genomineerden dan het andere, en als je het mij vraagt was het oneindig veel belangrijker dat elk jaar De beste 100 gedichten uitkwam als bloemlezing - ik heb alle deeltjes die ooit zijn verschenen in huis, en ik heb ze stukgelezen - dan wie er naar huis ging met die zak geld en een afstotelijk beeldje.

Toen ik na zo'n prijsuitreiking bij de bitterballen een beetje stond te mokken over het nogal highbrow karakter ervan, zei een oud-winnares iets wat ik nooit ben vergeten: 'Dat kun je wel vinden, maar dichters als jij hebben erkenning uit alle mogelijke hoeken: boekverkoop, optredens, aandacht op de radio en de televisie en wat al niet. Wij...' - ze wees om zich heen in de prachtige monumentale zaal waar het podium alweer achter onze rug werd afgebroken en de winnaar vertwijfeld rondschuifelde met een glazen beeldje dat dat jaar een Mongoolse melklepel moest verbeelden - 'Wij hebben dus alleen dit.'

En toen schaamde ik me zo dat ik besloot om nooit meer op het al dan niet vermeende elitaire karakter van een bepaalde uithoek van de poëzie in te hakken, omdat je daarmee inhakt op collega's die ook maar doen wat ze doen (en vraag niet waarom). Volgens mij is de poëzie er inmiddels veel beter aan toe dan Kees 't Hart suggereert, zolang je verder kijkt dan die zelfverklaarde eredivisie. Ik wacht in spanning op de volgende keer dat hij zijn macro op ons afvuurt, uit nostalgie - omdat het Carthago van Kees daadwerkelijk is verwoest om plaats te maken voor iets nieuws.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.