ColumnArthur van Amerongen

De plees waren dermate vol gescheten, dat het hygiënischer was om naast de pot te bouten

Ik ben onderweg naar het Nationaal Spoorwegmuseum in Entroncamento. Zoiets verzin ik niet. Entroncamento betekent knooppunt en is het Nergenshuizen van Portugal.  

Vanaf Olhão duurt de rit met de auto drie uur, de trein doet er zes uur over. Het voordeel van tienertoeren is dat mij van alles kan overkomen in de restauratiewagen. Met enig geluk is de barkeeper een kwebbelende nicht die de gulle lach niet schuwt en hangt er een innemende juffrouw – van achteren lyceum, van voren museum – aan de toog die ongevraagd haar schokkende levensverhaal vertelt.

Helaas is de bar dicht vanwege het Chinese Wuhan-virus. De trein is zo goed als leeg. Om de sleur van de reis te doorbreken, kan ik gaan pornosurfen op de laptop, maar de laatste keer dat ik dat deed, stond achter mij de kaartjesknipper mee te genieten.

Ik kan allerlei wonderlijke ontmoetingen verzinnen, à la Carmiggelt of zoals Paul Theroux dat deed in The Great Railway Bazaar. Of ik schrijf gewoon dat de trein begint te vliegen. Zulks maakte Bob den Uyl eens mee. Ik vond dat redelijk ongeloofwaardig, in tegenstelling tot zijn verhaal Een zwervend bestaan. Daarin moet de claustrofobische schrijver, op vakantie in Portugal, noodgedwongen in een bomvolle trein reizen. Zijn andere optie was een nacht op het perron van Pampilhosa, een hotelloos gat met als enige bezienswaardigheid de hoogste palmboom die Den Uyl ooit had gezien. De misantropische Rotterdammer staat zodoende de hele reis tussen kijvende Portugezen en manden met kakelende kippen en hij beschrijft de bloedhete trein als een soort inferno van Dante. 

Mijn dagboeken staan vol met gruwelijke treinreizen. Zo spoorde ik ergens in de jaren zeventig, hartje zomer, naar Griekenland. Halverwege de Balkan waren de plees dermate vol gescheten dat het hygiënischer was om naast de pot te bouten dan op de grote hoop, die zwart zag van de feestende vliegen. Het matglazen raampje kon niet open, anders had ik, netjes opgevoed, mijn poepertje wel naar buiten gehangen. 

Beleefdheidshalve ging ik toch maar boven die strontvulkaan bungelen. En jawel: de trein moest plotseling remmen en ik flikkerde met mijn witte kleren (toentertijd heel modieus) pontificaal in de mensenmestvaalt. Uiteraard was het water in de trein op. Thessaloniki was verder weg dan ooit. 

Daarom woon ik graag in Portugal, waar je in de trein gewoon van de brandschone wc-bril kunt eten. Met naast de tosti een ijskoud Sagres-biertje. Maar nu even niet. Schijtcorona. 

Beeld Gabriël Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden