Column

De passagier in het midden heeft altijd recht op beide armleuningen

Jarl van der Ploeg

Ik was net op stoel 12E gaan zitten van zo'n binnenlandse vlucht die natuurlijk weer helemaal niets mocht kosten van mijzelf, toen mijn noodlot het toestel binnenwaggelde in de vorm van twee zwaarlijvige Zuid-Italiaanse vrouwen die - uiteraard - op stoel 12D en 12F gingen zitten.

De vrouwen droegen beiden een hemd en drapeerden hun armen over de gehele lengte van mijn leuningen. Al porrend probeerde ik nog wat tegengas te geven, maar ik verloor enkel terrein. Dat er de afgelopen zeventig jaar geen grensoorlogen zijn gevoerd in West-Europa is onzin. En als de agressor ergens zegeviert, dan is het wel 8.000 meter boven de geldende fatsoensnormen.

In The Economist stond onlangs een artikel over wie de ruimte achter de stoelleuning eigenlijk bezit. Is die paar kubieke centimeter van de passagier die voor zit, opdat hij languit zijn dutje kan doen? Of behoort die toe aan die stakker van 12E die zijn tafeltje graag wil gebruiken om zijn ook al scharrig uitgepakte bekertje tomatensap neer te zetten?

De onderzoekers vroegen de ene groep hoeveel ze de passagier voor zich zouden betalen rechtop te blijven zitten (gemiddeld 18 dollar) en de andere groep hoeveel zij wilden ontvangen om hun stoel niet naar achter te klappen (41 dollar).

Het onderzoek bevestigde niet alleen mijn praktijkervaring - namelijk dat de andere groep vliegtuigpassagiers altijd de grootste eikels bevat - maar zette mij ook aan het denken. Want wie bezit eigenlijk de armleuning van een vliegtuigstoel? En hoeveel geld zou ik ervoor over hebben om verlost te zijn van die twee kwabbige bovenarmen die inmiddels vrolijk meedeinden met de vlucht?

Ik vind dat de passagier in het midden altijd recht heeft op beide armleuningen. Een vliegtuigrij bevat immers zes pluspunten, te weten: vier armleuningen, één raampje en één gangpad. Dat betekent dat er voor iedere reiziger één armleuning beschikbaar is, plus een extraatje.

Net toen ik mijn polderoplossing aan de twee wilde uitleggen, begon het op rechts te geuren naar zo'n elegant bedoelde dameswind die volledig verkeerd uitpakte. Toen de dame in kwestie zag dat ik haar kant opkeek, staarde ze mij aan alsof ik de bron was van die beschimmelde yoghurtlucht.

'Jarl, rustig blijven. Over anderhalf uur ben je op Sicilië en is het allemaal voorbij.' In een poging mijzelf op te beuren dacht ik aan iedereen die nu op een miezerig perron 4b stond te wachten op de trein naar Veenendaal-De Klomp; mijn vaste mantra in een soms ongemakkelijk correspondentenbestaan.

Ik had opeens heimwee. En ik kom niet eens uit Veenendaal.

Meer over