Column Max Pam

De oorlog in Jemen, daar wil ik niets mee te maken hebben

Als je ouder wordt, kan een verhaal dat lang in het onbewuste heeft gesluimerd zich ineens weer aan je voordoen door een kleine gebeurtenis. Dat overkwam mij onlangs, met schaamtevolle gevolgen.

Het is begonnen met een bekende anekdote, die in het begin van de jaren zeventig speelde in de kringen rond Harry Mulisch. Voor de jongere lezers vermeld ik dat Mulisch (1927-2010) destijds een beroemde schrijver was, die politiek engagement hoog in het vaandel droeg. In 1968 had hij Het woord bij de daad geschreven, ‘een getuigenis van de revolutie op Cuba’. Dit boek, of liever dit pamflet, heeft als motto een uitspraak van Régis Debray: ‘Arme pen, zonder geweer; arm geweer, zonder pen.’

Daarmee was de toon gezet: intellectuelen mochten niet werkloos blijven toezien bij conflicten in de wereld. Dus demonstreerden Mulisch en zijn geestverwanten voor het Amerikaanse consulaat op het Museumplein tegen de oorlog in Vietnam. Daarna debatteerden zij over de situatie in Jemen, waar een oorlog ook toen in al zijn hevigheid woedde. Het was een strijd tussen Noord-Jemen, dat werd gesteund door Saoedi-Arabië, en Zuid-Jemen waar de Democratische Volksrepubliek werd bewapend door de Sovjet-Unie. Of andersom, dat weet ik niet meer.

Op de kunstenaarssociëteit De Kring, nabij het Leidseplein, werd de kwestie-Jemen besproken. De marxistische dialectiek schreef voor dat men inzake een conflict – these, antithese – moest kiezen tussen een van de strijdende partijen, maar in het geval van Jemen lag het ingewikkelder en kwam men er niet uit. Daarop werd besloten de Duitse filosoof Martin Heidegger om een oordeel te vragen. In die tijd was nog niet bekend dat Heidegger zelf goed fout was geweest in WO II. Het orakel van Freiburg, zoals hij werd genoemd, werd door velen nog beschouwd als een moreel kompas.

Volgens de zanger Tabe Bas is het de schaker-filosoof Carel van den Berg geweest, die de brief aan Heidegger heeft geschreven waarin werd gevraagd of we Noord-Jemen dan wel Zuid-Jemen moesten steunen. En inderdaad kwam er na enige tijd antwoord. Het ging om een belangrijke kwestie, gaf Heidegger toe, maar alles afwegende kon hij slechts één raad geven: volg je eigen geweten.

Een bijzonder wijs antwoord, vooral omdat de vragenstellers er niets mee waren opgeschoten. Zelf moet ik altijd aan dat antwoord denken als mij wordt gevraagd een petitie te ondertekenen tegen een of andere maatschappelijke misstand.

Inmiddels zijn het noorden en het zuiden verenigd, maar bijna vijftig jaar later wordt nog steeds in Jemen gevochten. Jemenitische steden liggen wederom in puin en de bevolking lijdt. Het door Amerika gesteunde Saoedi-Arabië is nog altijd de agressor, maar Iran heeft de plaats van de Sovjet-Unie ingenomen. Het gaat ook niet meer om het noorden tegen het zuiden, maar om de sjiieten tegen de soennieten. De partijen doen in machtsbelustheid en wreedheid niet voor elkaar onder.

De situatie on the ground is ondoorgrondelijk. Laatst was Floortje Dessing even in Jemen. Wie tegen wie aan het vechten is, kon de lieve schat ook niet uitleggen, maar wel hoorden we bommen vallen op de schuilkelder waarin zij verscholen zat.

Welke partij moeten wij kiezen in het conflict? Wat is hier het moreel verantwoorde standpunt? Heidegger kunnen wij het niet meer vragen, maar zelfs als hij nog geleefd had, waren wij van zijn antwoord niet veel wijzer geworden.

Het liefst zou ik met die oorlog helemaal niets te maken willen hebben. Kop in het woestijnzand steken en sjiieten en soennieten laten knokken tot de laatste erbij neer is gevallen.

Mijn protest zou toch niets uitmaken. Veel conflicten doven pas uit als de partijen oorlogsmoe zijn. Ze eindigen slechts wanneer zoveel geld aan wapens is opgemaakt dat doorgaan wel erg begrotelijk wordt, maar daar is bij die oliestaten weinig kans op. Behalve dan wanneer wij ervoor zorgen dat wij die olie helemaal niet meer nodig hebben.

Deze gedachten waren nog niet manifest, totdat gisteravond werd aangebeld. Een student – een jongen nog – stond gewapend met een brochure en met het logo van het Rode Kruis voor de deur en vroeg om een bijdrage voor het lijdende volk van Jemen. Terwijl de kou het huis binnenstroomde, dacht ik: moet ik nou gaan betalen voor het leed dat wordt veroorzaakt door een stelletje krankzinnige ayatollahs en stinkend rijke sjeiks?

Ik zei ‘nee’ en sloot de deur. Maar toen ik de trap opliep, kwam een onverdraaglijk gevoel van spijt op. Ik holde terug, keek uit over de straat, maar de jongen was al verdwenen in de duisternis. Boven las ik in de krant dat na de moord op Khashoggi de Saoedi’s voor even de strijd in Jemen willen staken om hun imago te verbeteren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.