Column Joost Zaat

De onzichtbare dokter blijkt ook feilbaar

Kijken naar de cellen in een tumor is als het kijken naar het kwaad. Een van mijn collega’s roept wel eens dat hij daarom patholoog had willen worden. Je ziet alles en bent ‘een onfeilbare God’.

Pathologen kijken door microscopen naar allerlei weefsel, al gebruiken ze tegenwoordig veel meer technieken. Als patiënt zie je ze vrijwel nooit en toch spelen deze dokters een doorslaggevende rol bij de keuze voor een behandeling. Hun vak berust – net als de hele geneeskunde – op afspraken: hoeveel celdelingen mogen nog, hoe afwijkend mag weefsel zijn? Ook voor de ernst, de behandeling en voorspellingen over het beloop gebruiken dokters criteria. Met elkaar bepalen ze - op basis van onderzoek-  afkappunten. Als cellen het na een desastreus dna-foutje vertikken zichzelf te vernietigen, zoals het hoort, zullen ze dat niet zelf zeggen. Je moet dus naar ze kijken. Pathologen maken daarom bijvoorbeeld afspraken over de ernst van borstkanker. Ze gebruiken daar gradaties voor: graad 1 is relatief onschuldig, graad 3 is agressiever en graad 2 zit ertussenin. Ze gebruiken bij die indeling hun oordeel over de vorm van de celkernen in de tumor, de manier waarop cellen het weefsel vormen en het aantal celdelingen per vierkante millimeter. Elk van die factoren krijgt een score: van 1 tot 3. Dat is dus tellen én interpreteren. Er zijn op die graderingsschaal twee overgangspunten: die tussen graad 1 (score 3-5) en 2 (score 6-7) en die tussen graad 2 en 3 (score 8-9). Bij graad 1 krijg je – indien geen uitzaaiingen in lymfeklieren – geen chemo en bij graad 2 wel, met alle consequenties van dien.

Als je na het bevolkingsonderzoek in de achtbaan van onderzoeken en behandelvoorstellen bent beland, heb je natuurlijk geen idee of de patholoog die naar je tumor kijkt dat indelen wel beheerst. Het kan en moet beter vinden Nederlandse onderzoekers, die in het landelijke register naar de uitslagen voor borstkanker keken. In het ene laboratorium had 16 procent van de vrouwen een graad-1-tumor en in het andere 43 procent (gemiddeld 28 procent). Graad 2 kwam het vaakst voor, gemiddeld 48 procent maar het varieerde van 38- tot 58 procent. Zelfs in laboratoria waar pathologen vaak naar borstkanker keken, verschilden ze van elkaar: bij de een was het veel vaker een graad-1-tumor dan bij de ander. Bij 30 procent van de vrouwen heeft de beslissing wel of geen chemotherapie afgehangen van de indeling van de patholoog. Elk jaar krijgen 15 duizend vrouwen borstkanker, bij 4.500 vrouwen van hen kan één puntje verschil dus ontzettend belangrijk zijn.

Al die vrouwen met borstkanker kunnen aan hun behandelaar vragen hoe zeker die weet dat de patholoog goed gekeken heeft, maar ik weet niet of ze dat wel kunnen opbrengen in hun verwarring. ‘Gods oordelen’ zijn me te wisselend, de pathologen moeten fluks aan het werk om deze verwarrende variatie te beperken. De behandelende dokters moeten beter snappen dat de pathologen-god helemaal niet bestaat, maar dat die soms ook maar een twijfelende tobber is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.