Column Peter Buwalda

De naam Peter Faber maakte onze kleine reisgenoot erg blij

‘Jij tv.’

De buschauffeur zag er radicaal uit, met een lange baard en een compact tulbandje voor op het werk.

‘Boek’, ging hij verder.

Ik stak mijn duim op. We gingen rechtsvoor zitten, in een tweetje. Tijdens dat loopje werden we gevolgd door de blik van een medepassagier, een kind met diepe rimpels en grijze stoppels, dan wel een volwassen man van 10, ik wist het niet, hij dribbelde in ieder geval op zijn knieën om zijn as. Toen we waren neergeploft, legde hij zijn armpjes gezellig over de rand en keek ons, hoe zal ik het eens zeggen... uitzinnig aan.

‘Boek?!’, brulde hij. ‘Welke boek?’

Ook dit reisgenootje leek afkomstig uit een Moors sultanaat waar schrijvers nog in hoog aanzien staan, een machtig rijk waar Jani Siebelinkirarironiri op zijn vliegende tapijtje gerust een dt-fout mag maken, geen probleem, terecht zelfs, we passen als de bliksem de spellingsregels aan – stenigen kan altijd nog.

Ik noemde de naam van het boek.

‘De klein prins!’, schreeuwde hij terug. Ik knikte, klopte, dat was ook een boek.

‘Saint-Exupéry?’, vroeg hij op orkaankracht.

‘Nee’, zei ik.

Hij knikte van wel, wild. Zijn ronde gezichtje was zeer beweeglijk, één verlengde zware wenkbrauw leidde een losgebroken bestaan, soms bedekte het ding zijn slapen, dan weer stond hij dubbelgeklapt rechtop tussen zijn ogen. Dacht hij dat ik Antoine de Saint-Exupéry was?

Nee. Hij sperde zijn mond ver open, zijn trillende huig was een roze spookje dat me iets wilde vertellen. ‘Ik ben in de kleine prins gespeeld voor de schouwburg! Met Peter!’

Peter? Zo heette ik ook. Was dat expres?

Nee. ‘Grote Peter’, riep hij, ‘hele beroemdheid. Skatjes hij is gespeeld.’

‘Peter de Grote...’, peinsde ik.

‘Bedoelt u Peter Faber?’, vroeg Jet.

Dit maakte onze kleine reisgenoot erg blij. Hoe weet ik niet, met zijn knietjes zette hij zich krachtig af en brulde met gestrekte armpjes: ‘Peter Faber! Ja! Hij is vriend van mij! Wij samen acteuren!’

Geloofde ik niet. Dat Schatjes vertoond was tijdens de inburgeringscursus vond ik prima, lachfilms brengen de ontheemde soelaas, maar liegen mag niet.

‘Hij zette een fraaie Havelaar neer’, testte ik onze kleine vriend. Weer vloog hij, maar landde dit keer op zijn hurken. Zo zittend bulderde hij: ‘MOELTOETOELI!’

Jet en ik knikten bewonderend.

‘Prachtigste film met ook de Hauer en mevrouw Bulthuis, zij van de gouden generatie, zo goede acteuren, ik gekeken naar Oranje Soldaat, Spettertjes, Mama ies boos geworden. En natoerliek...’ Hij dacht keihard na.

Inmiddels had hij mijn hart gestolen. Deze 10-jarige grijsaard uit misschien wel Syrië, gestuit in zijn groei wegens miljoenen misgelopen dadels en ­kikkererwten, had zich uit bewondering voor Peter Faber op de Nederlandse filmgeschiedenis tussen 1975 en 1985 gestort, hij wist er meer van dan René Mioch.

‘De lift?’ schoot Jet te hulp.

‘Zeg ’ns AAA!’, schreeuwde hij, en schuddend met zijn vuistjes begon hij de tune te zingen, ‘Zeg eens AAA, zeg eens AAA, iek heb de suiker of heb de vlaaa’ ­

– waarna hij abrupt zweeg, wagenziek, dachten we even, maar hij was verdrietig, zei hij, vanwege de heer Manfred en de mevrouw Sjoukje, die hij miste, ze waren sieraden van grootste schittering.

 ‘Geloof jij dit?’, vroeg ik aan Jet. Ze haalde haar schouders op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.