Column Peter Buwalda

De lezer zal het met me eens zijn dat je niet met zomaar iedereen naar het strand wil. Ik wil er niet eens met mezelf heen

Heerlijk, een dagje naar Zandvoort.

Waarover je zelden iets leest, is de psycho­logie van mensen die op een tektonische breuklijn leven, zoals onze voormalige rijksgenoten in Indonesië, of anders wel de ­Chilenen, die hun vreemde landje als voegenkit van Alabastine over de gevreesde San Andreasbreuk hebben geplamuurd, alsof ze het erom doen. Dat heb ik nog wel onthouden van aardrijkskunde: ­waar de ene aardschol onder de andere duikt, moet je niet wezen.

Ach, mensen zijn rare jongens. Zelf heb ik lang in Haarlem gewoond, wat ook een kruis was om te ­dragen, in die stad heerst een permanente stranddruk. De zee was er zo dichtbij, dat vrienden en ­bekenden, zodra ik toegaf er te wonen, meteen over het strand begonnen, waarschijnlijk om me te troosten.

In tien jaar Haarlem ben ik vier keer gegaan. Drie keer om een relatie te redden (vrouwen ervaren geen stranddruk, geloof ik, eerder -zuiging, of is dat onzin?), de allerlaatste keer met een vriend. Zeker aan die laatste keer koester ik slechte herinneringen.

Die vriend was blijven logeren, iets waarvan ik ook al niks moet hebben, gastvrijheid is mij vreemd, dus in goeden doen verkeerde ik niet. ’s Ochtends ­tijdens de kapjes brood met pindakaas zei ik ­plot­seling: ‘Zullen we anders naar het strand?’

‘Leuk!’, zei hij tot mijn afgrijzen.

Nu was hij ook meer een kennis, eigenlijk – ook dat nog. Hoe hard het strand ook aan hem zuigt, de lezer zal het met me eens zijn dat je niet met zomaar iedereen naar het strand wil. Het ligt precair. Ik wil er niet eens met mezelf heen, dat vind ik al te intiem, te klef, zo naakt op een handdoek, en dan insmeren, zeker?

Daar lagen de kennis en ik, over onze arm in elkaars oog te turen, ­romantisch, maar ook ernstig uitgepraat na een avond van woeste en begeesterde uitwisseling. Tot mijn ontsteltenis mompelde ik al na een paar minuten: ‘Ik ga even een duik nemen.’

Dat was heerlijk, moet ik toegeven. Na vijf prachtige minuten was ik er klaar mee, ik kon er weer een paar jaar tegenaan, en ging aan land.

Linksboven moest hij ongeveer liggen, maar ik zag hem niet, dus begon ik lukraak naar boven te strompelen, links en rechts speurend. Maar nee, ­nergens. Dus liep ik weer naar beneden, diagonaal dit keer, scherp oplettend. Tevergeefs. Nog een keer naar boven dan maar. Nog altijd niks. Ik liep helemaal terug naar de branding en tuurde vandaar het strand af. Waar lag die gozer godverdomme! Ik ­besloot als een ouderwetse matrixprinter een flink vierkant helemaal af te grazen, een onderneming van een half uur die niets opleverde. Wat kregen we nu?

We kregen het warm. Ik was al ruim een uur aan het zoeken, ik ving inmiddels blikken op van zonnebrillen en hagelwitte tanden die het wel komisch ­leken te vinden. Mijn mondhoeken begonnen te trekken. Wat moest mijn kennis inmiddels denken? Dat ik naar Dover was gezwommen? Dat ik het helemaal niet zo leuk vond, stiekem, met hem op het strand? Of was hij zelf afgetaaid? Ik begon het laatste net te hopen, rustig in mijn eentje naar huis ­fietsen, toen ik mijn achternaam hoorde, niet eens hard – ik stond bijna bovenop hem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.