Column Peter Middendorp

De hoofdscout van Heracles sprak met een charmante, Almelose ‘o’ – een van mijn lievelingsletters

Tijdens FC Utrecht – Emmen zat ik enkele weken geleden naast een man met kleine krullen, een goede zonnebril en een voetbalverleden in Oostenrijk. Hij sprak met een charmante, Almelose ‘o’ – een van mijn lievelingsletters. Toen hij zich voorstelde als ‘hoofdscout van Heracles Almelo’ was hij met de eerste en de laatste lettergreep het langste bezig.

De hoofdscout zat er duidelijk om FC Emmen te analyseren, de goede en de zwakke punten in het spel bloot te leggen, voor als ze tegen ons moesten. Maar van analyseren kwam weinig terecht, omdat hij de hele tijd zat te kletsen met een leuke, jonge vrouw, die aan zijn andere zijde had plaatsgenomen.

Het hinderde me wel. We zaten dicht bij elkaar, ieder op zijn eigen stoel, maar we deelden met zijn drieën een houten bureau, dat krap over onze benen was gebouwd, en eigenlijk te klein was voor volwassenen. Ik kon mijn gedachten niet bij de wedstrijd houden. Niet omdat ze te hard praatten, ze praatten juist te zacht, zodat ik ze steeds net niet kon verstaan. Zo had ik geen gesprek en geen wedstrijd, en was ik dubbel de klos.

Ik kuchte. Ahum. Ik hoorde het mezelf doen. Alsof ik wilde uitdrukken: Emmen speelt daar, hoor. Koekoek. Ja, ik wist ook wel dat wij geen FC Barcelona zijn, en dat het leuk is om met jonge vrouwen te praten, maar over twee weken moesten ze al tegen ons – zou het dan niet van respect getuigen om een heel klein beetje op te letten?

Mannen die met jonge vrouwen praten, terwijl andere mannen daarbij moeten zitten, heb je in verschillende soorten. Je hebt er die zich in het gesprek verliezen, je hebt er die bang worden en je hebt er – de hoofdscout behoorde tot deze laatste categorie – die je zo een beetje aankijken af en toe, minzaam, over de zonnebril, alsof ze willen zeggen: ik praat met een jonge vrouw, wat ben jij eigenlijk aan het doen?

Zo voelde het wel. Met name toen ik juichte voor een doelpunt. Ik had mijn armen, voorzichtig wringend, zonder onderweg iemand te raken, rechtstandig in de lucht gestoken, waartussen mijn gezicht breeduit lachte. Ben je blij?, vroeg hij. Ja, zei ik.

Op zich ben ik wel blij. Ik haalde mijn armen terug, ze waren lang genoeg boven geweest.

Nou, zei hij, dat mag wel, hoor. Maar ben jij dan iets Drents? Van de Drentse… De Drentse Courant?, vroeg ik. Ja, zei hij. Nee, zei ik, die bestaat allang niet meer.

Afgelopen zondag hebben we van Heracles verloren, 2-1. Na acht minuten hadden ze er al twee ingeschoten – vermoedelijk dus op advies van die hoofdscout.

Daarna liepen we achter de feiten aan, wat, zoals bekend, een heel eind is.

In het stadion heb ik aan de hoofdscout gedacht. Ik had hem niet zo bij de les moeten houden. Minder moeten prikkelen. Ook had ik wel wat aardiger kunnen zijn. We leken op elkaar, tenslotte, we speelden dezelfde rollen. We bezochten beiden wedstrijden en deelden daarna onze gedachten. Hij vooraf met zijn club, ik achteraf in de krant. Mijn strategie was transparanter, maar ik moest nu wel toegeven dat de zijne beter werkte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.