Interview

De groeiende macht van rechters ondermijnt de democratie, vindt Vlaamse socioloog

De Vlaamse socioloog Mark Elchardus pleit voor een herwaardering van de nationale staat. Zijn politieke, socialistische vrienden hebben hem daarom de rug toegekeerd. ‘Een samenleving kan alleen goed werken als er een gedeeld idee is waar we heen gaan.’

Martin Sommer
De Vlaamse socioloog Mark Elchardus Beeld Sanne De Wilde
De Vlaamse socioloog Mark ElchardusBeeld Sanne De Wilde

Mark Elchardus (75) is mogelijk de bekendste en zeker de meest omstreden socioloog van Vlaanderen. Hij was een werkzaam leven lang hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Brussel en is nog altijd columnist in de Vlaamse krant De Morgen. Rond de eeuwwisseling stond Elchardus bekend als ‘huisideoloog’ van de Socialistische Partij, de Vlaamse tegenhanger van de PvdA. Vandaag willen socialisten weinig meer van Elchardus weten, vooral niet sinds het verschijnen van Reset. Over identiteit, gemeenschap en democratie, een erudiete politiek-sociologische straatklinker van 550 pagina’s. Zijn boodschap: er moet een herstart worden gemaakt met de herwaardering van de nationale staat.

In een notendop heeft het boek drie hoofdlijnen: zijn afwijzing van de cultus van persoonlijke identiteit, die naar het oordeel van Elchardus van mensen consumenten maakt en zo vooral het grootkapitaal verder helpt; zijn pleidooi voor gemeenschapszin die we terugvinden in de natiestaat. Wat bovenal in het oog springt is zijn kritiek op de rechterlijke macht die steeds meer de vertegenwoordigende politiek wegdrukt en zo gaat fungeren als wetgever zonder volksmandaat.

Het leverde hem bijtende kritiek op, bijvoorbeeld van socialistisch mastodont Louis Tobback, die in een bespreking schreef dat hij niet wist ‘welke frustratie deze linkse apostel van zijn paard heeft gebliksemd.’ Met bijna tienduizend verkochte boeken is Reset in Vlaanderen een bestseller aan het worden. Alles bij elkaar aanleiding voor een bezoek aan Elchardus in zijn woning in de Brusselse deelgemeente Schaarbeek.

Uw boek begint met een links thema, kritiek op het neoliberalisme, maar u komt uit op een rechts thema, een pleidooi voor de nationale staat. Die slalom moet u uitleggen.

‘Ik ben begonnen met de persoonlijke identiteit. Dat was het vertrekpunt, er wordt zoveel over identiteiten gesproken, vaak niet verstandig vond ik. Iedereen maakt zijn eigen toekomstbeeld, maar het door het liberalisme bevorderde individualisme staat een gezamenlijk toekomstbeeld in de weg. Terwijl samenlevingen alleen goed werken als er een gedeeld idee is van waar we heen gaan. Dat bracht me bij het gemeenschapsdenken en het gevoel van een gedeelde lotsbestemming, met solidariteit en de bereidheid elkaar een stem te geven in wat we samen gaan doen. Voor mij is de nationale staat vooralsnog de enige manier waarop de gemeenschap zich democratisch kan organiseren.’

Voor links was de nationale staat altijd de onderdrukker toch? Marx zei dat de arbeiders niets te verliezen hadden dan hun ketenen.

‘Ik verdedig de nationale staat tegen zowel het marxisme als tegen de neoliberale orde. Sinds 1970 is niet meer het klassenproject dominant maar het neoliberale project. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er eerst een aantal sociale decennia geweest, en dan het neoliberale regime dat sinds 2008 in crisis verkeert. Sindsdien sukkelen we van crisis naar crisis, maar waar ik me vooral tegen afzet, is het liberalisme dat voorrang geeft aan het recht boven de gemeenschap. Recht boven wet met andere woorden.’

Precies dat onderdeel deed Louis Tobback in zijn bespreking van zijn stoel vallen. Hij beweerde zonder veel omhaal dat u in de extreem rechtse hoek bent beland.

Zucht. ‘Ja het gedonder dat ik van links heb gekregen op precies dat punt, terwijl juist dat fundamenteel is. We moeten even terug naar de 18de eeuw. Zowel bij de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd als de Franse Revolutie, heeft men zich onvoldoende durven losmaken van de oude orde. Men ontdeed zich van de aristocratie, maar durfde niet helemaal God of iets daarboven los te laten. Men ging dus rechten afleiden van iets anders dan de mens zelf, iets hogers, en dat werd bij de Franse revolutionairen het natuurrecht.

‘Waar het om gaat is dat individuen rechten krijgen toebedeeld los van hun gemeenschap. Dat is een fabel, dat bestaat helemaal niet. De Engelse filosoof Bentham sprak al van ‘nonsens op stelten’. Dat is het grote verschil tussen liberalisme en het gemeenschapsdenken dat zegt: rechten komen voort uit mensen die zich organiseren als gemeenschap. Het liberalisme zegt daarentegen dat het individu a priori rechten heeft, en dan wordt het heel gemakkelijk om het recht boven de volkssoevereiniteit te stellen. Dan komt de rechter boven de wetgever te staan. Ik noem dat juristocratie.’

Thierry Baudet spreekt van dikastocratie, de zeer rechtse Franse presidentskandidaat Eric Zemmour schreef al in de jaren negentig een boek getiteld Regering van rechters. Dat klinkt niet als een aanbeveling voor u.

‘De uitdrukking ‘regering van rechters’ dateert uit de jaren dertig, en is van oorsprong een linkse kritiek op het Amerikaanse Hooggerechtshof dat de sociale politiek van president Roosevelt wilde dwarsbomen. Het is spijtig dat vooral rechtse figuren dat opmerken en links het niet ziet, want eigenlijk zou links de verdediging van de democratie op zich moeten nemen. Links is opgericht voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. Nu zien we steeds meer dat rechters de wet gaan beoordelen. De meest uitgesproken vorm daarvan is het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Daartegen kun je niet in beroep.

‘De juristocratie is begonnen na de Tweede Wereldoorlog, onder invloed van de Amerikanen. Die waren vermoedelijk terecht bang voor de kiezers in het overwonnen Duitsland en Japan. Daar hebben ze de nieuwe democratie onder sterke juridische curatele van grondwettelijke hoven geplaatst. Ik vind het onverantwoord om dat nu nog te doen, en al helemaal onverantwoord dat dat zich sindsdien zo snel heeft verspreid over de wereld.’

Hoe komt dat dan, die snelle verspreiding?

‘De schrik voor de kiezer is steeds sterk aanwezig. En in de neoliberale wereldorde laat men het economisch beleid liever door andere, internationale instellingen bewaken dan dat de nationale kiezer zijn zegje doet. Onder andere de internationale rechterlijke macht speelt die rol. Ik vind dat om te beginnen nadelig omdat rechters de neiging hebben hun eigen opvattingen sterk te laten wegen, activistisch te worden zoals dat heet. Dat is voor het Europese Hof in Straatsburg mooi bestudeerd. Twee Amerikaanse onderzoekers (Stone Sweet en Ryan, 2018), zelf warme voorstanders nota bene, waren eerlijk genoeg om op te schrijven dat rechters zich steeds minder van verdragen aantrokken en steeds meer hun eigen interpretaties gaven, met hun eigen precedenten waaruit weer nieuwe regels werden gemaakt. Die voorstanders noemen dat een kosmopolitische rechtsorde, denk aan Kant en zijn wereldregering. Maar ze beschrijven ontstellende dingen. Niet de wetgever, maar het Europees Hof breidt zijn bevoegdheden uit, via jurisprudentie. Dan treedt de rechter op als wetgever en dat is wat we meer en meer zien.’

Dat doet denken aan de Middeleeuwen, toen het parlement immers een rechtbank was.

‘Juist. De democratische revolutie was een poging om daarmee af te rekenen. Minderheden die het politiek gezien nooit zouden kunnen halen, krijgen gelijk tegen meerderheden, ook in zaken die niets met de bescherming van minderheden te maken hebben. Rechters gaan klimaatdoelstellingen bepalen, op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar dat is de taak van het parlement.

‘Wat je vervolgens ziet, ligt voor de hand: meerderheden begrijpen dat rechters invloed hebben en gaan natuurlijk proberen bevriende rechters te benoemen. Dat gebeurt in Polen en Hongarije, maar niet alleen bij rechts. In de VS wilden de Democraten het Hooggerechtshof uitbreiden. Het ondergraaft de rechtsstaat. Als rechters activistisch optreden, dan betreden ze het politieke domein. Dan moet je niet raar opkijken als er politieke kritiek komt op rechters. Ook dat ondergraaft het vertrouwen in het recht.’

Socioloog Mark Elchardus Beeld Sanne De Wilde
Socioloog Mark ElchardusBeeld Sanne De Wilde

U vindt de kritiek vanuit de EU op Polen en Hongarije te hard; die landen hebben hun eigen rechtsstatelijke traditie en van buitenaf moet je je terughoudend opstellen. Blijft er dan nog wel een maatstaf over voor wat een rechtsstaat is?

‘Zeker moeten we ons terughoudend opstellen. Maar dat betekent niet dat Polen niet op onderdelen kan worden teruggefloten. De tuchtraad voor justitie die ze hebben ingesteld is bijvoorbeeld ontoelaatbaar, omdat hij druk uitoefent op rechters. Polen maakt deel uit van de Europese Unie, en heeft zich verbonden aan het respecteren van een aantal regels.’

Dat is precies de kritiek van Frans Timmermans op Polen.

‘Dat denk ik niet. Rechters moeten onafhankelijk zijn, dus die tuchtraad kan niet. Maar anders dan de Europese Commissie zeg ik, waarom mogen in Polen rechters niet door het parlement worden benoemd? Het is helemaal niet noodzakelijk dat rechters door rechters worden benoemd. Onafhankelijk en onpartijdig is niet hetzelfde. Als je vaststelt dat ideologische keuzes meewegen, dan is het bovenal van belang dat het geheel van de rechterlijke macht pluralistisch is.’

Wie maakt dan uit wat pluralistisch, onpartijdig en onafhankelijk is?

‘Ik denk dat pluralisme het best wordt gediend als rechters rechtstreeks of indirect worden benoemd door het parlement. De Europese Commissie heeft een zeer liberale opvatting van de rechtsstaat. Men kan ook een gemeenschapsopvatting van de rechtsstaat hebben. De Europese Commissie doet jaarlijks verslag van de stand van de rechtsstaat in de lidstaten. Maar waar is het verslag van de stand van de volkssoevereiniteit? Waarom is dat verwaarloosbaar? Dan lees ik bijvoorbeeld dat het vertrouwen in de rechtspraak in Polen of Hongarije zo laag is. Dat is dus een probleem. Maar 60 procent van de Nederlanders vindt dat met hun stem geen rekening wordt gehouden. Daarover zou je ook kunnen rapporteren. Dat is een keuze.’

Een van uw voorbeelden waar de nationale staat het nakijken heeft ten opzichte van de rechterlijke macht, is het asielrecht.

‘Ik wil eerst gezegd hebben dat ik voorstander ben van het asielrecht, en dat graag wil behouden. Maar nu wordt het misbruikt voor illegale migratie. Volgens cijfers van de Europese Commissie hebben zes op de tien mensen die binnenkomen, geen recht op asiel. Dat verzwaart de procedure enorm en maakt het voor de mensen die wel voor asiel in aanmerking komen veel moeilijker om een status te krijgen. En ten tweede gaan van de mensen die afgewezen worden, maar twee of drie op de tien daadwerkelijk terug. Met als gevolg dat er nu alleen al in Brussel honderdduizend illegalen leven.’

Is deze toestand het gevolg van het overgewicht van het recht, of van een politieke wanprestatie?

‘Dat is moeilijk uit elkaar te houden. Je kunt wel vaststellen dat nationale staten nauwelijks nog een mogelijkheid hebben om een eigen migratiebeleid te voeren. Het Europese Hof in Straatsburg is bijna een soort hof van beroep in asielzaken. Dat heeft al vroeg de uitspraak gedaan dat mensen die gered worden in internationale wateren op een schip dat vaart onder de vlag van een EU-lidstaat, feitelijk al in Europa zijn. Ze hebben dus recht om asiel aan te vragen, en mogen niet meer teruggebracht worden. Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft in 1993 in zo’n zelfde zaak precies de omgekeerde beslissing genomen. Dus zolang je niet in Amerikaanse wateren bent, kun je geen asiel aanvragen. Hetzelfde mensenrechtenverdrag, verschillende beslissingen.

‘Verder heeft het Europese Hof de notie van foltering enorm opgerekt. Onvoldoende opvangcapaciteit of gebrek aan beroepsmogelijkheden worden opgevat als blootstellen aan foltering. Terugsturen naar Griekenland werd afgewezen door het Europese Hof, omdat de kwaliteit van de opvang tekortschoot en dat werd beschouwd als foltering en mensonterende behandeling. Daar zie je de juristocratie in actie.

‘Wat mij betreft is er best een rol voor Europese regelgeving, maar het zou nuttig zijn om de rol van het Hof in Straatsburg opnieuw te bezien. Dit soort precedenten is niet de bedoeling, dat kan niet. Ik ben in het boek heel realistisch over de mensenrechten. Die plusminus driehonderd mensenrechten die we intussen hebben geformuleerd in verdragen, die beschrijven eigenlijk het goede leven van de middenklasse in welvarende verzorgingsstaten. Dat betekent voor veel mensen in de wereld niet zoveel. We moeten met de verdragspartijen opnieuw bij elkaar komen en afspreken wat de kern is: respect voor het leven, geen foltering, eerlijke processen, vrije drukpers. En dan wel handhaven natuurlijk.’

U schrijft dat Polen en Hongarije, op grond van hun geschiedenis, asielzoekers met een moslimachtergrond zouden mogen weigeren, en bijvoorbeeld België niet. Dat heet toch discriminatie?

‘Feitelijk is dat nu de gang van zaken. Natuurlijk geeft dat grote problemen. Het gaat mij erom dat de EU niet a priori het recht heeft om immigratie op te leggen aan een land, ongeacht hoe een gemeenschap zichzelf ziet. Dat is wat de EU probeerde met dat spreidingsplan. Dat kan niet zo, dat moet worden afgewogen met die gemeenschap. Ik zou me met hand en tand verzetten tegen elke poging in België om geen moslims toe te laten, aangezien de islam de tweede religie van het land is. Maar dat is in het qua religie zeer homogene Polen en Hongarije anders. Mensen hebben een geschiedenis, gemeenschappen hebben een geschiedenis. Natiestaten moeten hun voortbestaan bewaken, ook via cultuur en identiteit. In werkelijkheid heeft de Europese Unie dat spreidingsplan trouwens al verlaten.’

Waarom lukt het in Europa niet om tot een gezamenlijk idee van gemeenschap te komen? Anders gezegd, waarom lukt het creëren van nationale gevoelens op Europese schaal niet?

‘Europa heeft een probleem, of eigenlijk een gegeven. Enerzijds zijn er maatregelen genomen die een gemeenschap veronderstellen. Een munt, afschaffen van binnengrenzen, zichzelf definiëren als waardengemeenschap. Dan is de veronderstelling eigenlijk dat men al een gemeenschap is. Dat is niet zo. Het is stealth-politiek, we struikelen voorwaarts.’

Zo heeft Europa altijd gewerkt, met voldongen-feitenpolitiek. Dat heet solidarité de fait. Eerst de gezamenlijke regelingen, daarna komen de gezamenlijke gevoelens wel.

‘Maar die gemeenschap is er niet. Ik zeg vaak als grap: Polen zijn geen Zweden. Zo eenvoudig is het. Ze denken over een heleboel dingen fundamenteel anders, en Europa gaat niet lukken als men dat niet respecteert. Laat Europa streven naar gemeenschappelijke doelen die belangrijk zijn, klimaat, beheersen van migratiestromen, buitengrensbewaking, digitale onafhankelijkheid, kunstmatige intelligentie, cyberveiligheid enzovoorts. Dingen die nodig zijn en die individuele landen moeilijk zelf kunnen doen.

‘Maar laat ze meer rekening houden met verschillen tussen landen. Het verhaal dat de natiestaat achterhaald zou zijn, dat we in een post-nationale wereld leven, is onzin. Daar klopt niks van. Mensen die dat hebben geloofd, moeten eens zeer goed naar hun uitgangspunten kijken. Daar is echt iets mis mee. Als je je zo vergist in de geschiedenis, dan moet je in de spiegel kijken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden