Column Eva Hoeke

De eetpatronen van Eva Hoeke en de Man verschillen: ‘Ik hou van bruin brood, hij van Bifiworst'

Eva Hoeke Beeld Robin de Pay

De zaterdag was nog maar net begonnen toen wij over de A2 richting Velp reden om mijn 86-jarige Brabantse schoonmoeder te verrassen met een bezoek. 'We bellen van tevoren niet', had de Man gezegd, 'anders gaat ze zich alleen maar druk maken'. 'En als ze niet thuis is?', had ik, de dik anderhalf uur durende en mogelijk vergeefse rit met twee kleine kinderen en bijbehorende toeters en bellen indachtig gevraagd, maar ik moest toegeven dat die kans inderdaad verwaarloosbaar klein was en dus gingen we.

Ter hoogte van Haarrijn stuurde ik de auto de afrit op.

Terwijl ik stond te precisietanken (bij het afrekenen zou de caissière zeggen dat er twee soort mensen zijn, mensen die op liters mikken en mensen die voor een rond bedrag gaan, ik vond het bizar dat er mensen zijn die de literoptie nemen) ging de man naar binnen om koffie te halen. Even later was hij er weer en zette hij twee dubbele espresso's op het dak van de auto, waarna hij een zak M&M's en twee gevulde koeken uit zijn jaszak tevoorschijn toverde. 'Kijk', zei hij. 'Voor jou.'

Ik, zuinig: 'Ik hoef niet, dat weet je best. Jíj wil dat.'

De Dochter, vanaf de achterbank: 'Ik ook, ik ook!'

Ik: 'Dat bedoel ik. Je had toch ook appelpartjes kunnen halen, ofzo? En waarom moet er überhaupt gegeten worden?'

De Man: 'Ik dacht, gezellig, voor bij de koffie.'

De Dochter: 'Koek, koek, koek, koek!'

Onze eetpatronen verschillen, de korte versie is dat ik van bruin brood hou en hij van Bifiworst, een gegeven waarmee we lange tijd in vreedzame co-existentie leefden, maar dat met de komst van de kinderen in toenemende mate voor discussie zorgt, met de keer dat we ruzie kregen om de vraag of de roze kleur van aardbeienvla écht van aardbeien komt of van de fabriek - de vraag stellen is 'm beantwoorden - als voorlopig dieptepunt. Soms schoof hij zijn eigen zwakke vlees zonder pardon in de schoenen van zijn Brabantse voorvaderen, voor wie snoep in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een betaalbaar luxeproduct was geworden waarmee geen maat werd gehouden, omdat ze, zoals de gevaren van roken toen ook nog niet bekend waren, weinig wisten over de gevolgen van te veel suikers. Integendeel: 'Mijn moeder zei vroeger tegen ons: als je toch wilt snoepen, neem je maar een dropje. Die dacht echt dat dat gezond was.'

Vijftig minuten later, nog een hele zit met een om koek gillend kind achterin, arriveerden we te Velp, waar het even duurde voor er werd opengedaan. Pas na drie keer bellen verscheen een fuchsiaroze duster achter de matglazen voordeur. 'Ik lag te slapen', zei mijn schoonmoeder ten overvloede. Tijdens de lunch, het weerbericht en de ziektes in de buurt hadden we al behandeld, vond ik het nodig het gesnoep aan te kaarten.

'Zeg moeder', zei ik. 'Van wie hééft hij die gewoonte nou?'

Schoonmoeder: 'Wat?'

Ik: 'Dat snoepen. Aten jullie vroeger veel snoep?'

Schoonmoeder: 'O ja. Heel veel. Dat is Brabants, hè.'

Ik, verbaasd: 'Huh? Is dat écht zo?'

Schoonmoeder: 'Jazeker. Wij aten het vroeger heel vaak thuis. En de buren ook.'

Ik: 'Maar was u dan niet vreselijk dik?'

Schoonmoeder: 'O nee, zeg. Het was juist gezond!'

Ik keek naar de Man, die vanaf de andere kant van de tafel triomfantelijk terugkeek, hier werd een overwinning behaald waarvan hij de prijsbeker nog vaak zou oppoetsen.

Schoonmoeder: 'Ons Riet maakte het altijd zelf. Vaak op zaterdag, maar ook dikwijls op zondag. Met ballen.'

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.