essay democratische crisis

De democratie verkeert in een midlifecrisis

Terwijl in rijke en arme landen overal ter wereld de onvrede groeit over het functioneren van het politieke bedrijf, beleeft de democratie als staatsvorm een diepe midlifecrisis, betoogt Volkskrant-redacteur Hans Wansink.

Beeld Pieter Van Eenoge

De hete herfst van 2019 kent vele kleuren. In alle uithoeken van de wereld gaan massa’s de straat op voor het recht op zeggenschap en een menswaardig bestaan. In Beiroet eisen Libanezen dat de corrupte politieke kliek rond president Aoun moet verdwijnen. Maar ook graag 24 uur per dag elektriciteit en een einde aan de vervuiling van stad en land. De eisen van de betogers in Chili, Ecuador, Indonesië, Egypte, Irak of Soedan komen op hetzelfde neer: weg met corrupte machthebbers, handen af van onze burgerrechten en een rechtvaardig aandeel in de welvaart. In Hongkong, Kasjmir en in Barcelona richt het verzet zich tegen een centraal gezag dat het streven naar zelfbestuur de kop indrukt. In Warschau en Moskou eisen betogers het recht van oppositie op.

Het is hartverwarmend om te zien hoe in juist in deze contreien, waar de democratie nog jong is, of nog veroverd moet worden op de plaatselijke despoten, mensen geweld en onderdrukking trotseren om het ideaal van vrij en gelijk burgerschap binnen bereik te brengen. Je zou, wonend in de rijpe democratieën van West-Europa en de Verenigde Staten, je zegeningen moeten tellen. Toch manifesteert zich ook in rijke landen met een lange democratische traditie het onbehagen over het functioneren van het politieke bedrijf. Een onbehagen van een andere orde dan de strijd op leven en dood in minder comfortabele oorden, maar niettemin hardnekkig genoeg om serieus te nemen.

Want vandaag de dag zijn er in het Westen miljoenen kiezers die geloven dat het bestel geen rekening houdt met hun behoeften en dat anderen worden voorgetrokken. Ze zijn ervan overtuigd dat het verleden beter was dan het heden − en dat het heden, hoe ontluisterend ook, er nog altijd minder dreigend uitziet dan de toekomst. Vandaar dat de Britse politicoloog David Runciman stelt dat de westerse democratieën een midlifecrisis doormaken.

Om het ellendige gevoel dat daarmee gepaard gaat te bezweren, springen de getroffenen nog al eens uit de band. Ze kopen bijvoorbeeld, schrijft Runciman in How democracy ends, ineens een motorfiets om zich weer jong te voelen. Daar kunnen gemakkelijk ongelukken van komen, hoewel een 17-jarige op een motor veel riskanter is. Vaker is het vooral genant en blijft de motor na een paar ritjes achter in de garage. De crisis zal dan op een andere manier moeten worden opgelost, als zij al oplosbaar is. De Amerikaanse democratie is volgens Runciman het schoolvoorbeeld van een midlifecrisis – met een onbesuisde Donald Trump op de motor.

Falende democratie

De opkomst van het populisme in Europa en de VS is het meest in het oog springende symptoom van deze midlifecrisis. Het populisme, van rechts en van links, bloeide op door het falen van de vertegenwoordigende democratie. In de gevestigde partijen werd de spanning tussen hun rol als vertegenwoordigers van het volk enerzijds en die van dragers van regeringsverantwoordelijkheid anderzijds, steeds groter. Het gebrek aan aandacht van die partijen voor de zorgen van de kiezers speelde het populisme in de kaart. De hoogtijdagen van de partijendemocratie zijn voorbij; politieke ondernemers van allerlei pluimage springen in het gat.

Democratie is niet volmaakt, niet eeuwig jong en zelfs niet onsterfelijk. Het idee van een vrij en gelijk burgerschap is de morele kern van de liberale democratie. Maar zelfs in de meest ontwikkelde en verlichte democratieën zal dit vrije en gelijke burgerschap nooit door iedereen zo worden ervaren. Over elke democratie hangt een ‘schaduw van oneerlijkheid’, zoals de Amerikaanse politiek-filosoof Jeffrey Green het formuleert.

Om te beginnen zijn er miljoenen meer burgers dan dat er posities zijn waarin actief politiek leiderschap kan worden uitgeoefend. De gewone burgers staan op grote afstand van de macht die door een select gezelschap wordt uitgeoefend. Alleen door zich te organiseren in een grote groep van gelijkgezinden, kunnen burgers de gang van zaken beïnvloeden. Maar omdat er altijd mensen zijn die er wel in slagen in de buurt van de macht te komen, ervaren de gewone burgers de ongelijke verdeling van macht en invloed als oneerlijk. Zij zien hun leiders nooit als alleen maar dienaren van de publieke zaak, maar ook altijd als machthebbers.

Ongelijke kansen

Het democratisch ideaal veronderstelt dat de sociale status van een burger geen invloed mag hebben op zijn mogelijkheden om aan het politieke proces deel te nemen. Maar ook deze ambitie kan nooit worden waargemaakt. Zelfs bij gelijke talenten en motivatie hebben burgers met verschillende achtergronden niet dezelfde kans om politieke ambten te bekleden of verkiezingen te beïnvloeden. Een zekere mate van plutocratie karakteriseert het politieke bedrijf in zelfs de meest egalitaire democratieën.

De conclusie die Green uit de ongelijke verdeling van macht en invloed trekt, is dat gewoon burgerschap in feite tweederangs burgerschap is. De jaloezie van deze tweederangs burgers ten opzichte van meest bevoorrechte leden van de maatschappij, met name de superrijken, is dus begrijpelijk. Het is teveel gevraagd als verontwaardigde burgers altijd braaf de democratische spelregels inzake beschaafde beraadslagingen blijven volgen.

Zoals Machiavelli zijn vorst in sommige omstandigheden toestond te liegen, bedriegen, stelen en doden om zijn verantwoordelijkheden jegens de staat effectief uit te oefenen, zo mag de tweederangs burger op een vulgaire, abrupte, ongearticuleerde manier uiting geven aan zijn frustraties en verlangens. Die gele hesjes, die tractoren, die klimaatstakers en al die boze burgers in de op de pleinen: ze zorgen voor broodnodige injecties van vitaliteit tijdens de midlifecrisis van de westerse democratie.

Anti-pluralisme

Je zou zelfs kunnen spreken van een nieuwe politieke arbeidsdeling. Terwijl de gearriveerde politici vooral bezig zijn compromissen te sluiten om zich in de regering te handhaven of zich te positioneren als toekomstige regeringspartner, specialiseren activisten en populisten zich in het aandragen van kwesties die het landsbestuur minder goed uitkomen. Zo vervullen deze nieuwkomers en buitenstaanders in hun agenderende rol een wezenlijke democratische functie.

Maar er is ook reden tot zorg. Het zijn immers vooral negatieve gevoelens waarop populisten inspelen: wantrouwen tegen de elite en de instituties, verlies van geborgenheid, zeggenschap en controle, bedreiging van bestaanszekerheid, gebrek aan toekomstperspectief. Populisten zijn niet alleen anti-elitair, maar in wezen ook anti-pluralistisch. Hun bewering luidt steevast: alleen wij vertegenwoordigen het echte volk. Dit levert een emotioneel geladen, polariserende houding op ten opzichte van de gevestigde orde.

Die orde wordt al gauw verengd tot een moreel verwerpelijke, corrupte elite die complotteert tegen het volk, dus uitgeschakeld moet worden. Spelverruwing in de manier waarop de politiek wordt bedreven is dan ook overal in het Westen waarneembaar. In de rest van de wereld vormen populistische heersers anno 2019 maar al te vaak een bedreiging voor eerlijke verkiezingen, een vrije pers, onafhankelijke rechtspraak en ongehinderde politieke oppositie. Daar is meer aan de hand dan een midlifecrisis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden