Opinie De beste spreker

De beste redenaar is een brallende gek

Beeld Jon Krause

Wie een doordacht betoog hield, in fraaie woorden en met rijke beelden, gold als welsprekend. Maar inmiddels is de beste spreker, valt Jan Kuitenbrouwer op, degene die het beste begrijpt in welke context hij zijn verhaal houdt.

De retorica is de natuurkunde van de taal. Newtons ontdekkingen staan nog steeds overeind, maar we hebben sindsdien nog zoveel meer geleerd en een natuurkundige met ambitie zoekt de cutting edge op – die zet zijn tanden in de chaostheorie of de kwantumcomputer.

Waar ligt de frontlijn van de redekunst? Zoals wij steeds verder doordringen in het atoom, dringen wij ook steeds verder door in het brein. Verschuilt zich daar een nieuwe retorica? Neurolinguïsten ontdekken de adressen van woorden. Kijk, daar zit ‘huis’, en even verderop zit ‘appartement’. En dat groepje daar is het gezin, ‘man’, ‘vrouw’, ‘kind’, ‘ouder’. Maar de betekenis, waar zit die? En zit hij daar morgen nog? Is er een retorica van de tijdgeest?

Op school leer je over Ethos, Pathos en Logos, gezag, gevoel, woordkeus, de drie pijlers van de retorica, zoals beschreven door Aristoteles: ‘Iedereen die een oordeel moet vellen laat zich ofwel overtuigen doordat hij zelf in een bepaalde gemoedstoestand is gebracht (pathos, red.), of doordat hij de sprekers bepaalde karaktertrekken toeschrijft (ethos), of doordat het feit is bewezen (logos).’

Dat zijn richtlijnen voor de spreker zelf, hoe zit het met zijn omgeving – tijd en plaats? Is dat een terrein dat de klassieke retorica braak liet liggen? Nee, het oorspronkelijke bouwwerk kende een vierde pijler: Kairos.

Het woord kent vele vertalingen: tijd, moment, gelegenheid, gepastheid, opening.

Boogschutters in het oude Griekenland spraken van kairos als een denkbeeldige tunnel waardoor de pijl zijn doel bereikt, soms ook als aanduiding van de perfecte, dodelijke plek om iemand te raken. Wevers zeiden kairos tegen het moment waarop de bomen van een weefgetouw zodanig staan dat de spoel er tussendoor kan. The right time and due measure, zegt de Amerikaanse retoricus James Kinneavy. Het juiste woord op de juiste tijd en de juiste plaats. Een verwant begrip uit de antieke retorica is ‘decorum’, welvoeglijkheid, gepastheid.

De Kairos-pijler van de retorica is altijd een beetje in de schaduw gebleven, waarschijnlijk omdat het, in de woorden van Isocrates, ‘een dynamisch principe is, meer dan een statische, gecodificeerde, retorische techniek.’

Maar toen kwam het postmodernisme, met zijn oog voor betrekkelijkheid, en kairos werd opnieuw ontdekt. Context, doelgroep, kader, framing, eigentijdse begrippen, verwant aan kairos. De focusgroep – wat moeten wij tegen wie op welk moment zeggen? – is in feite onderzoek naar kairos.

Onlangs kwamen de sociale partners na lange, moeizame onderhandelingen een nieuw pensioenstelsel overeen. Een eerder ontwerpakkoord, in 2011, werd door de vakbonden afgewezen omdat het neerkwam op een ‘casinopensioen’. Die term ging een eigen leven leiden, de voorstanders wisten zich er geen raad mee en in een referendum werd het plan weggestemd. Dit nieuwe akkoord schijnt sterk te lijken op dat van 2011, maar de term ‘casinopensioen’ hoor je om een of andere reden niet. Kairos.

Decorum is iets dat je pas opmerkt als het ontbreekt. Wij kalibreren onze taal naar de mores van het moment, maar vervolgens doen wij alsof zij neutraal is, en deze kunstgreep nooit heeft plaatsgevonden.

In de jaren zeventig spraken wij vaak over ‘welzijn’, een woord dat je nog maar weinig hoort. In de Pyttersen’s Almanak (handboek voor organisaties en instellingen in Nederland) stonden toen tientallen organisaties met ‘welzijn’ in hun naam. Het land was weer opgebouwd, de verzorgingsstaat was voltooid, de welvaart was terug, de aandacht verplaatste zich naar welzijn. Eerst komt het eten en dan de moraal. Een woord dat toen nauwelijks in de Pyttersen’s voorkwam, was ‘zorg’. Nu is het omgekeerd. De verzorgingsstaat werd te duur en gesaneerd (‘versoberd’). Nice to have werd need to have, ‘welzijn’ werd ‘zorg’ – de laatste Pyttersen wemelt ervan.

Wij leven in kringen, klassen en groepen. In bubbles, zeggen we tegenwoordig. Wie gehoord wil worden moet uit zijn bubbel breken. Dat is moeilijk, vaak realiseren wij ons domweg niet dat wij in zo’n bubbel zitten, en vervolgens blijken bubbelgewoontes lastig af te leren. Politici praten bijvoorbeeld van ‘wet- en regelgeving’. Dat is bubblespeak. De geving van wetten en regels interesseert mij als burger niet, dat is het werk van de politiek, wat mij interesseert is wát zij geven: wetten en regels. De spreker die het over wet- en regelgeving heeft, praat niet over mij, maar over zichzelf. Die verandert oplossingen in problemen. Dan spreekt hij bijvoorbeeld over de ‘integratieproblematiek’, terwijl het probleem toch eigenlijk segregatie was, dat moest worden opgelost met integratie. De oplossing van het probleem wordt het probleem van de oplossing. De spreker schiet geen pijl af, hij gooit een boemerang. Bad kairos. Zo kun je kairos ook definiëren: een taalkundig ruimtebesef, een bewustzijn van context en de lenigheid om er in en uit te springen.

Zo ontstaat een ander soort welsprekendheid. Niet die van de sierlijke woordkeus, rijke beelden en doordachte opbouw, maar die van de raakheid. Ocasio, decorum, kairos. Een slecht geschoten pijl is altijd nog effectiever dan een fraai geworpen boemerang. Zo kan een ‘slechte’ spreker een ‘goede’ verslaan.

Beeld Jon Krause

Er zijn boeken gevuld met de verbale onbeholpenheden van George W. Bush (‘Dont misunderestimate me’), een van minst begaafde sprekers die ooit het Witte Huis bewoonden. Toch versloeg hij eerst Al Gore en toen John Kerry, beiden zeer eloquent en voorzien van de beste speechschrijvers. Maar de Republikeinen kenden de kracht van kairos en deden stelselmatig onderzoek naar welke woorden bij hun doelgroep werkten en welke niet. ‘Het is niet wat jij zegt, maar wat zíj horen’, zegt hun taalgoeroe Frank Luntz. George Bush jr. kon niet spreken, toch was zijn gebrabbel eloquent.

De Vlaamse taalkundige Jan Blommaert betoogt dat het populisme een ‘spreekregime’ is. Populisten spreken niet ‘de taal van het volk’, of iets dergelijks, wat populistische politici onderscheidt is dat zij een scherper beeld hebben van de ruimte waarin zij opereren, van de eisen die gesteld worden door het nieuwe marktgedreven karakter van de media. Een beter begrip van de context waarin zij spreken, een beter besef van kairos. Zij kennen de weg die de pijl moet afleggen, van de boog naar de roos. Regel 1: geen bubblespeak, want dan zapt de kijker.

Ik herinner me het moment dat dit tot me doordrong. Het was in 2002, Pim Fortuyn maakte een kometische opmars in de peilingen, de PvdA zakte weg, iedereen was verbluft. Een reporter vroeg Fortuyn of hij dat succes zelf kon verklaren. Waarin zat het verschil met bijvoorbeeld Ad Melkert, lijsttrekker van de PvdA, die het zo slecht deed? ‘Nou weet u’, zei Fortuyn, ‘meneer Melkert heeft het over de ‘werkenden in de zorgsector’ en ik zeg gewoon ‘verpleegsters’.’ Raak! Good kairos. Sindsdien heb ik Melkert nooit meer anders kunnen zien dan als een schuwe, onthechte technocraat, die zich zelden buiten de muren van de Haagse beleidsfabriek waagde.

Binnen die bubbel legde hij trouwens wel gevoel voor the right time and due measure aan de dag. In 1994 werd hij minister van Sociale Zaken, ook verantwoordelijk voor vrouwenemancipatie. Coalitiepartner VVD zat niet op feministisch beleid te wachten en ineens gebruikte Melkert het woord ‘emancipatie’ niet meer. Hij sprak over ‘dagindeling’. Er kwam een Regeringsstandpunt Dagindeling, een Commissie Dagindeling, een Stuurgroep Dagindeling en een Stimuleringsmaatregel Dagindeling – alles gericht op het aansporen van mannen om meer zorgtaken op zich te nemen en vrouwen om meer te gaan werken. Emancipatie dus, maar gedepolitiseerd tot een logistieke opgave, een kwestie van gaan zitten met de agenda en de dagen indelen. Kairos.

Of neem de taalknedende kracht van het neoliberalisme. Toen had je ‘het bedrijfsleven’, nu ‘de ondernemers’. Toen zeiden we ‘laissez faire’, nu ‘zelfregulering’. ‘Commercialisering’ werd ‘marktwerking’, ‘publiek’ werd ‘inefficiënt’, ‘bezuiniging’ werd ‘efficiencyslag’. ‘Arbeid’ werd ‘werk’, ‘onzeker werk’ werd ‘flex’, ‘dagloner’ werd ‘zzp-er’, ‘werkloos’ werd ‘inactief’, enzovoorts. Vergelijk de betekenis van het woord ‘elite’ vandaag met die van dertig jaar geleden. Toen rechts, nu links. Toen economisch machtig, nu cultureel invloedrijk. Toen Wassenaar, nu grachtengordel. Toen Mercedes met chauffeur, nu bakfiets met kind.

Het is een cliché van deze tijd geworden dat je nu hardop dingen kunt zeggen waarvoor Hans Janmaat dertig jaar geleden van zijn bed gelicht werd. Maar zo verwonderlijk is dit niet, zo werkt de geschiedenis, opvattingen en ideeën komen en gaan. De redenaar kan wel in de taal van gisteren blijven spreken, maar dan verdwijnen zijn pijlen in het niets.

Soms wil de tijd gewoon iets horen, de mond waaruit kan haar niet schelen. In de aanloop naar de Kamerverkiezingen van 2006 liet PvdA-lijsttrekker Wouter Bos een cameraploeg toe in zijn inner circle, waarschijnlijk omdat hij een eclatante overwinning verwachtte en er dan een document zou zijn van hoe hij en zijn team geschiedenis schreven. Het liep anders en De Wouter Tapes werd de slow motion van een debacle. Tijdens een van de vele besprekingen rijst de vraag wat Bos over een bepaalde kwestie moet zeggen. De juiste formulering wordt gevonden, maar even later toch weer afgewezen. Want, helaas, zucht Bos, ‘dat zegt Balkenende al.’

En soms is de tijd doof. ‘Was ik maar horlogemaker geworden’, verzuchtte Einstein na de Tweede Wereldoorlog, vol wroeging over de verschrikkingen van de H-bom. Vóór de oorlog sprak hij over die bom als een wetenschappelijke uitdaging, een technisch oplosbaar probleem, na de oorlog als een ethische schandvlek. Zou het geholpen hebben, als hij van meet af aan had gewaarschuwd?

Een boodschap kan tijdig zijn, en toch niet doordringen. In An Inconvenient Truth vertelde Al Gore niets nieuws over klimaatverandering. Wat de film zo’n impact gaf, was de taal waarin hij sprak: een prikkelende taal voor een overprikkelde tijd, waarin spreken gelijk staat aan vechten om aandacht. Een taal van drama, dreiging en angst.

Hitler begreep het: zoek de angst van het moment. Hij bedacht de infestation metaphor. Epidemieën kwamen in het Europa van voor de Tweede Wereldoorlog nog geregeld voor, penicilline als volksmedicijn bestond nog niet, mensen hadden alle reden om bang te zijn voor besmettelijke ziekten. Vergelijk de vijand met ongedierte en de natie met een gezond lichaam, redeneerde Hitler, dat komt de haat vanzelf. De joden waren ratten, bacteriën, ziektekiemen. Een politicus van nu die wij allemaal kennen gebruikt hem ook. De (zwarte) stad Baltimore: ‘infested’.

Of neem Geert Wilders. In het jaar 2003 zou het vergelijken van immigratie met een tsunami geen indruk gemaakt hebben. Tsunami – de meeste mensen zouden het hebben moeten opzoeken. Maar Wilders maakte die vergelijking in 2005, een jaar na de grote tsunami van 2004 in de Indische Oceaan, die 230 duizend mensen het leven kostte en de term algemeen bekend maakte. Tsunami: dood en verderf.

In 2000 breekt de Tweede Palestijnse Intifada uit, niet lang daarna begint Wilders het wangedrag van allochtone jongeren ‘een intifada’ te noemen. Thierry Baudet poseert als een klassiek geschoolde, verfijnde intellectueel, die zich bedwelmt met lavendel en dweept met de uil van Minerva. Hij weet best dat het verhaal dat vreemdelingen je dochter verkrachten een primitief sprookje is, toch maakt hij er een video over, die viraal gaat. Mensen ráken, maakt niet uit waarmee. Clicks. Kijkcijfers. Kairos.

De politiek is een mediagenre geworden, een vorm van entertainment, een reality soap annex talentenjacht, met arrivés en aspiranten, heroïek en verraad, nederlaag en triomf. Debatten zijn verbale bokswedstrijden met een scheidsrechter, een rondebel en één winnaar. De politiek is verhuisd, van het forum van de rede naar de arena van de emotie. Van het gesprek naar het spektakel. Burgerplicht werd consumptiedrift. Niet dat zij zo ver uiteen liggen. Op de plattegrond van Rome is het maar een paar honderd meter.

Bloed! Bloed! Bloed!

Dat is de taal van deze tijd: een taal van chaos en spektakel, van ophef en schandaal, superlatieven en extremen. Expect the unexpected.

En de vleesgeworden spreekbuis van die taal – enfin, het enige dat ik nog kan doen om de voorspelbaarheid van dit einde te beperken is om zijn naam niet te noemen. Hij is het anti-decorum in eigen persoon. Hij is de dikke, plompe, oranje pijl waarvan niemand dacht dat hij door de kairos-buis kon. Maar vorm en gratie doen voor een pijl niet ter zake, als hij maar kracht heeft en de juiste richting. De beste redenaar van deze tijd is een brallende gek. Het forum is leeg, de arena is uitverkocht.

Dit essay is een voorpublicatie uit de bundel De handen van Cicero  Retorische antwoorden op de retoriek van onze tijd (Historische Uitgeverij) met essays van onder anderen Bas Heijne, Jan Kuitenbrouwer, Luuk van Middelaar en Arnon Grunberg.

Bij de presentatie tijdens het Brainwashfestival (26 oktober, Amsterdam) gaat Coen Simon in gesprek met Jan Kuitenbrouwer, Gerard Spong en Heleen Mees over de retoriek van onze tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden