Opinie

De beste poëzie is geen amusement, het gaat erin om het hoogste

'Soms zie je ze in boekhandels bij de afdeling dichtbundels staan bladeren, de ene bundel na de ander gaat door hun handen'. Beeld ANP

Poëzie is de hoogste en tegelijk de merkwaardigste kunstvorm. Het is niet gemakkelijk een behoorlijk gedicht te schrijven: het (taal)materiaal is eindeloos, de onderwerpen liggen voor het oprapen, iedereen weet het beter en de traditie kijkt voortdurend over de schouder van de dichter mee. Verlang ik wel genoeg, ben ik ervaren, gooi ik hoge ogen, ben ik eerlijk, stel ik me niet aan, ben ik geen banale na-aper, verlos ik me van mijn ketenen, ben ik onbevreesd, beheers ik de poëzie als vak.

Dit zijn de verwilderde vragen die de dichter zichzelf altijd stelt, moet stellen. Poëzie is een ritueel, dat komt er nog bij. Een doodsbezwering, een liefdesgezang, een ode, een strijdkreet, een profetie, een rouwklacht, een bezwering van het banale (of een lofzang daarop), een fluistering tegen het duister, of een parodie op dit alles. Het mag een wonder heten dat uitgevers deze veeleisende kunstvorm nog steeds onder de aandacht van lezers brengen. De oplages zijn laag (500 is al veel), bij een nieuwe druk van een bundel gaat de vlag uit.

Waar blijven de lezers? Daar hoor je vaak over klagen, maar de beste poëzie stelt niet alleen aan dichters maar ook aan lezers hoge eisen. Lezers van poëzie zijn kieskeurig, ze zoeken naar dat ene, flitsende, ontroerende of verpletterende gedicht dat ineens hun gevoel, hun verstand of hun verlangen laat wankelen of te buiten gaat. Soms zie je ze in boekhandels bij de afdeling dichtbundels staan bladeren, de ene bundel na de ander gaat door hun handen. Op zoek naar die ene bundel, dat ene gedicht. Er waren nooit veel lezers van de beste poëzie: kijk maar naar de oplagen van werk van Shelley, Whitman, Gorter. Duizenden mensen houden zich met poëzie bezig, dat dan weer wel. Als hobby of uitlaatklep waar je nog geld mee kunt verdienen ook: de rappers, de gelegenheidsdichters, de grapjassen en de miskenden. Maar de beste poëzie is, anders dan proza, geen amusement, het gaat erin om het hoogste, zoals in alle kunst. Dan kun je hoog of laag springen, zoals Ingmar Heytze in een artikel in de Volkskrant doet, maar het is niet anders. En dat hoogste wil ik voelen, zien en horen. Tasten.

De afgelopen jaren zat ik een paar keer in een jury van een officiële poëzieprijs. De Ida Gerhardt Prijs en de VSB prijs. Herkende ik de uitgangspunten van goede poëzie die ik hierboven noemde? Bleven dichters uit het erkende dichterscircuit trouw aan zichzelf? Haalden ze het hoogste uit hun eigen ideeën over poëzie? Waren het geen na-apers, betweters, zelfmedelijders, gelijkhebbers, angsthazen of prutsers? Daar ging en gaat het om.

De Nederlandstalige 'erkende' poëzie bleek gemakzuchtig. Dichters schrijven vrijwel allemaal over hetzelfde. Allemaal postmodern. Of zoiets. Nou vooruit, op tien na. Ik bedoel: allemaal last van onzekerheid, allemaal in verwarring, allemaal rijmloos, allemaal schrijven dat taal niet alles is, allemaal wel eens een filosofieboek gelezen, allemaal naar (h)erkenning streven, allemaal veel wit tussen de regels, allemaal het Handboek voor de Poëzie van de Vijftigers uit het hoofd geleerd, allemaal dezelfde rare afgebroken zinnen die je niet snapt, allemaal kenner van de Antieken, allemaal een beetje verdrietig, allemaal schrijven over wat iedereen al weet, allemaal piepkleine waarnemingen belangrijk vinden, allemaal stoere dromen, allemaal zelfmedelijden, allemaal niet meer christelijk, allemaal dezelfde poëzie heilig vinden, allemaal weltschmerz, allemaal spleen, allemaal dezelfde romantische voorgangers bewieroken (Rimbaud! Dada!!), allemaal Plato of Heraclitus-liefhebbers, allemaal van dezelfde kunst houden, allemaal jong geweest en nu oud geworden, allemaal hetzelfde jargon. Nou vooruit, op tien na. Allemaal tegen het kapitalisme, allemaal geëngageerd, allemaal aardig voor dier, mens en milieu, allemaal bezorgd, allemaal tegen verloedering, allemaal ernstig, allemaal niet op de PVV stemmen, allemaal tegen Trump, allemaal dromen van rust en stilte, allemaal boos op anderen, allemaal progressief. Allemaal denken dat je met verbrokkelde zinnen het kapitalisme onderuithaalt. En dat nog menen ook. Allemaal gelijk willen hebben. Gadverdamme.

Je ziet die gemakzucht terug in de poëziekritiek, voor zover die nog in dag -en weekbladen bestaat. Geen debat, geen kritiek, nauwelijks verwilderde uitbarstingen, geen bedenkingen. Geen ondervraging van de eigen standpunten. Geen zelfkritiek. Allemaal gelijk willen hebben. Gelijkgestemden (zie boven) toejuichen, de rest afbranden.

Misschien is het het beste je als dichter niets meer gelegen te laten liggen aan het gemakzuchtige klimaat van de officieel erkende dichtkunst. Je eigen weg zoeken. Op weg naar het hoogste.

Kees 't Hart is schrijver, dichter en cultuurcriticus

Kees 't Hart. Beeld ANP Kippa
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.